Tapdansen is het antwoord op de crisis

Voor filmmakers die in onzekere economische tijden op zoek zijn naar houvast, komt Dancing in the Dark van Morris Dickstein als geroepen. In deze pas verschenen, meesterlijke cultuurgeschiedenis van de jaren dertig, besteedt literatuurhistoricus Dickstein ook ruim aandacht aan film.

Hollywood blikt graag terug. In het tijdperk-Bush had menig filmmaker de ‘paranoia-thrillers’ van de jaren zeventig in zijn achterhoofd. Het diepe wantrouwen jegens de overheid onder Bush, had een evenknie in de stemming ten tijde van Nixon en het Watergate-schandaal. Nu lijkt Hollywoods klassieke bloeiperiode in de jaren dertig voor filmmakers het meest geliefde referentiepunt.

Dat komt niet alleen door de recessie, ook de progressieve agenda van president Obama roept de herinnering tot leven aan de New Deal van president Franklin D. Roosevelt. Documentairemaker Michael Moore riep zijn collega’s onlangs op om, net als regisseurs in de jaren dertig voor Roosevelt hebben gedaan, Obama in hun films een steun in de rug te geven.

Dickstein beschrijft in zijn boek de films die direct aandacht besteedde aan toenmalige sociale kwesties – van I Am a Fugitive from a Chain Gang (1931) tot de beroemde Steinbeckverfilming The Grapes of Wrath (1939) van John Ford, die tot op de dag van vandaag het beeld van de crisisjaren bepaalt. In weerwil van het idee van Hollywood als droomfabriek, probeerden filmmakers wel degelijk sociaal-relevante films te maken – met name bij Warner Brothers, de enige studio die niét in de financiële problemen kwam tijdens crisisjaren.

Maar daarnaast laat Dickstein zien dat ook het pure vermaak door de crisis is getekend. Neem The Grapes of Wrath en Gone with the Wind: sociaal protest versus zwijmelen en spektakel? Niet echt. Beide films gaan over families die uiteengereten worden door een sociale catastrofe, maar overleven dankzij een sterke vrouw. Typerend, want mannen die status verloren konden zich psychologisch moeilijker weren tegen de crisis dan vrouwen.

Zelfs de musical en de dansfilm, in de jaren dertig ongekend populair, stonden minder ver af van de dagelijkse werkelijkheid dan het op het eerste gezicht lijkt. Veel Amerikanen zaten klem door de crisis, waarbij op het hoogtepunt een kwart van de beroepsbevolking zonder werk zat. De sociale mobiliteit was gestokt, levens kwamen tot stilstand. Juist daarom was de behoefte aan het zien van beweging zo groot, schrijft Dickstein, in de films van Fred Astaire en Ginger Rogers, en de choreografieën van Busby Berkely. Leerzaam – ook voor de studio’s die momenteel puzzelen op antwoorden op de crisis van nu.