Pijnlijke snee

Het jongeheertje van Hidde moest dagelijks duchtig ingevet worden.

Dat was een van de belangrijkste opdrachten waarmee zijn moeder ons achterliet. Zij ging een onbezorgd etmaal tegemoet, wij moesten ons nu het grootouderschap waardig tonen.

Aan de achterkant van het jongeheertje zat een pijnlijke snee waarop zalf diende te worden aangebracht. Mijn dochter haalde een potje uit een tas en zette die op een plank in de slaapkamer.

Ze pakte ook nog een ander potje, maar deed dat weer terug in de tas met overige spullen. Ondertussen praatten de dames druk door over schone luiers, schone rompertjes en schone sokken.

Ik voelde me een buitenstaander worden en sloop weg naar mijn boek – lezen kon nu nog, maar lang zou dat niet meer duren, want kleinkinderen hebben een hekel aan lezende grootouders. Lezen doe je maar in je eigen tijd, niet als zij over de vloer zijn. Kleinkind is koning.

’s Avonds hield ik bescheiden toezicht toen er gebadderd en gezalfd moest worden. Vooral het jongeheertje beschouwde ik min of meer als een gebied waarop ik mijn specifieke deskundigheid kon laten gelden. Het verdient zorg en zachtheid – de zaligheid komt dan later vanzelf.

Het lag er zo weerloos bij, een velletje vlees dat nog geen naam mocht hebben. Aan de achterkant zat inderdaad een sneetje, maar het was niet de jaap die ik gevreesd had. Met een beetje geluk kon dit sneetje in een dag geheeld worden. Ik keek toe hoe mijn vrouw het potje uit de kast nam en wondje en omstreken teder met zalf instreek.

De volgende dag meldde mijn dochter zich weer opgewekt aan het front. Ze had met haar man gewinkeld, gedineerd, gebioscoopt en gerust en ze kon er weer even tegen. Of wij het ook leuk hadden gehad?

Jazeker, zeiden wij haastig, en we probeerden de slaap niet uit onze ogen te wrijven. Hidde had om half twee ’s nachts hardnekkig verzocht of hij tussen ons in mocht slapen en dat kun je een kind dat toch al last had van een vervelend sneetje op een precaire plek, moeilijk weigeren.

Het werd tijd om te gaan. Moeder en dochter namen nog even de gedane zaken door, terwijl Hidde op het bed verschoond werd.

„Het is allemaal goed gegaan”, zei mijn vrouw, „zijn piemeltje is niet meer rood. Het was alleen jammer dat je geen gel had achtergelaten voor zijn haar. Het valt zo voor zijn ogen.” Mijn dochter keek haar verbouwereerd aan. „Maar ik heb je de gel gegeven!’’

„Wanneer dan?”

„Dat potje in de kast!”

„Maar daar heb ik steeds zijn piemeltje mee …”

Ze keken elkaar in grote verwarring aan. Toen daagde de verschrikkelijke waarheid. „Ik had mijn bril niet op…”, zei mijn vrouw nog.

„Hou op, hou op!” riep mijn dochter.

De lach kwam als een vloedgolf over haar. Ze vloog naar de wc, als je van vliegen kunt spreken bij een hoogzwangere vrouw met een overbelaste blaas.

„Ik dacht nog: wat smeert-ie fijn uit”, zei mijn vrouw.

„Nee…nee!” riep mijn dochter vanachter de gesloten deur.

„Het is nog een wonder dat zijn piemel niet recht overeind staat”, zei haar man.

„Nee…nee!”