Hoor

Je hoort het heel vaak. Je weet precies wat ermee bedoeld wordt. En toch is een raar woord. Het woord ‘hoor’. Het is alleen een raar woord als het achter een zin wordt geplakt, als een soort geruststelling. „Komt wel goed, hoor.” Of: „Kies maar wat uit, hoor.”

Je vraagt je af hoe ‘hoor’ ooit die geruststellende bedoeling heeft gekregen. Zou het een afkorting zijn van ‘hoor je wat ik zeg’? Maar waarom zou dat dan geruststellend zijn? Wat heeft horen met geruststellen te maken? Mysterieus.

Er zijn niet zo veel werkwoorden die je op die manier achter een zin kan plakken. Je kunt het met ‘zeg’ doen. Maar als je ‘zeg’ ergens achter plakt („Wat is dat een lekkere brownie, zeg”), dan fungeert dat alleen maar als een bevestiging van wat eerder al gezegd is. Met ‘hoor’ komt daarentegen de hele zin in een nieuw daglicht te staan.

Want wat is het geval met geruststellingen? Die zijn vaak niet zo geruststellend. „Ik zou me er maar niet zo druk over maken” is bijvoorbeeld meestal reden om je meteen heel erg druk te gaan maken.

Daarom is er een wereld van verschil tussen: „Ik vind mijn opleiding heel leuk” en: „Ik vind mijn opleiding heel leuk, hoor.” In het laatste geval hangt er een ‘maar’ met het gewicht van een aambeeld in de lucht, klaar om te vallen.

In verreweg de meeste zinnen waar ‘hoor’ achter gezet wordt, wordt iets negatiefs uitgedrukt. „Leuk stukje heb je geschreven, hoor.” Hé, bedankt.

‘Hoor’ gaat wat dat betreft hand in hand met ‘heus’. Heus wil iets uitdrukken over waarachtigheid, maar het omgekeerde is natuurlijk het geval. „Het is heus niet mijn bedoeling om iemand hier de schuld te gaan geven…” Maar dat is bij dezen gebeurd.

‘Hoor’ en ‘heus’ kunnen trouwens ook gecombineerd worden, en dan weet je helemaal dat er iets loos is. „Ik vind je heus wel heel lief, hoor.” Jaja.