'Het glipte ons zomaar ineens door de vingers'

Esther Doorn (35) zocht maandenlang naar werk. Tot overmaat van ramp raakte haar man in diezelfde periode ook zijn baan kwijt.

Zo snel kan het dus gaan. Het ene moment ben je een succesvol, hoogopgeleid jong stel en lacht het geluk je toe. Drie jonge kinderen, leuk werk, geld genoeg en een eigen huis in het centrum van Leiden. Het andere moment zit je allebei thuis en moet je serieus overwegen om dat prachtige, zorgvuldig opgeknapte huis te verkopen.

„Het glipte ons zomaar ineens door de vingers”, zegt Esther Doorn als ze terugkijkt op de eerste helft van 2009, toen zij en haar man tegelijkertijd zonder werk kwamen te zitten. „Je denkt: waar ging het precies fout? Wat is er gebeurd? Het voelde alsof we onze zeven vette jaren hadden gehad.”

Doorn werkte voor de crisis als freelance vertaler. Na de geboorte van haar jongste dochters, een tweeling van 15 maanden, wilde ze weer aan de slag. „Ik was er een tijd uit geweest vanwege de zwangerschap en in die periode had de crisis toegeslagen. Het was erg moeilijk om er weer tussen te komen, ik kreeg nauwelijks opdrachten.”

Ze besluit het freelance bestaan achter zich te laten en gaat op zoek naar een vaste baan. „Voor maximaal 24 uur, omdat mijn man toen nog een fulltime baan had als directeur.”

De zoektocht wordt één grote teleurstelling. „Ik werd voortdurend afgewezen: ik was te hoog opgeleid, banen voor 24 uur waren vaak op mbo-niveau. Ik werd er helemaal moedeloos van. Ik wilde gewoon weer werken. Meedoen. En dat kreeg ik niet voor elkaar.”

Tot overmaat van ramp verliest haar man begin februari zijn baan en vindt ook hij niet meteen iets nieuws. Het is het begin van grote geldzorgen. „Ik had geen recht op een WW-uitkering, omdat ik als freelancer had gewerkt”, vertelt Doorn. „Maar mijn man kreeg ook niet meteen een uitkering. Hij verdiende altijd best veel en daar raak je snel aan gewend. Als het geld ineens niet meer binnenkomt, heb je al snel een probleem. De hypotheek en de kinderopvang moesten elke maand gewoon betaald worden. Onze reserves waren er er in no time doorheen.”

Om het hoofd boven water te houden, lenen ze geld van familie. „Niet fijn, maar het kon niet anders.” Ook wordt er voor het eerst in tijden echt op geld gelet. „Wat we hadden, ging op aan eten. Ik haalde voor een euro brood bij de Hema en kon me écht niets anders veroorloven.

„Op zich vond ik dat niet eens het grootste probleem: we zijn allebei vrij gemakkelijk ingesteld. Oké, het is balen, maar we redden ons. Wat ik wel heel erg vond, was de uitzichtloosheid van de situatie. Zaten we ineens allebei thuis, maar zonder geld om leuke dingen te doen. Het voelde heel machteloos. Je wilt van alles, maar het lukt niet.”

Het tij keert als Doorn half juli langs een uitzendbureau loopt en een vacature ziet hangen van uitkeringsinstantie UWV. „Ze zochten een beslisser WW: iemand die bepaalt of mensen recht hebben op een uitkering. Ik dacht: dít is het. Het was me op het lijf geschreven, ik heb rechten gestudeerd en mijn eerste baan, bij de IND, was vergelijkbaar.”

Doorn krijgt de baan en gaat half augustus „dolgelukkig” aan de slag bij het UWV. Lachend: „En toen was ik dus ineens de kostwinner thuis.” Intussen krijgt haar man ook een WW-uitkering en zijn de ergste geldzorgen voorbij. „We konden met mijn salaris en zijn uitkering net rondkomen.” En „alsof ineens alles weer meezat”, vindt ook haar man vlak daarna weer werk. „Terwijl we net de crèche hadden opgezegd omdat die te duur werd.”

Van het eerste loon gaan Doorn en haar man voor het eerst in maanden weer uit eten. „We konden zelfs een oppas betalen. Ineens waren we weer helemaal rijk.”

De ooit zo gewone dingen kunnen nu weer, zegt Doorn. Zonder nadenken uit eten. Of een bos bloemen kopen. „Daar geniet ik elke dag van.”