Het gezin dat altijd wel ergens symbool voor staat

Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis.

Vandaag: het succes van de tv-serie The Simpsons.

De meest succesvolle comedy uit de Amerikaanse televisiegeschiedenis bestaat twintig jaar. The Simpsons, door het tijdschrift Time ooit uitgeroepen tot beste tv-programma van de 20ste eeuw, kan inmiddels bogen op een indrukwekkende erelijst: het is de langstlopende cartoon op televisie en sleepte meer dan honderd prijzen in de wacht, waaronder 25 Emmy Awards.

Bovendien is de serie geestesvader van een nieuw televisiegenre: tekenfilms voor volwassenen. Natuurlijk werden cartoons al eerder door volwassenen gekeken, maar The Simpsons was de eerste die zich bewust niet op kinderen richtte – een voorbeeld dat werd gevolgd door programma’s als South Park, Family Guy en King of the Hill. Ondanks deze concurrentie trekt The Simpsons, zelfs na twintig seizoenen, nog steeds miljoenen kijkers wereldwijd.

Waar is dit succes aan te danken? De meest voor de hand liggende verklaring is natuurlijk de humor. The Simpsons is een messcherpe satire met een haast ongeëvenaarde grapdichtheid. Er zitten bovendien talloze ‘lagen’ humor in – van leedvermaak, woordspelingen, maatschappijkritiek tot slapstick. De serie biedt daardoor voor ieder wat wils: een 16-jarige puber kan er evenzeer om lachen als een 60-jarige professor.

Maar dat kan niet de enige verklaring zijn. The Simpsons is namelijk grotendeels character driven: het draait vooral om de personages, de verhaallijn is secundair. Sterker nog, geen van de bewoners van Springfield wordt ooit ouder of wijzer – niets verandert of ontwikkelt zich. Dat zou een langdurig succes van de serie moeten bemoeilijken. De kijker kan immers niet echt ‘meeleven’ met de serie, zoals bij een soap. Andere komedies die voornamelijk om de personages draaiden, zoals Seinfeld of Friends, hielden het dan ook geen twintig jaar vol. De grappen werden op den duur te veel een trucje.

Dat dit probleem tot nu toe aan The Simpsons voorbij is gegaan, komt waarschijnlijk door de filosofische diepgang. De bewoners van Springfield zijn niet alleen grappige, herkenbare karakters – ze staan ook stuk voor stuk symbool voor allerlei denkwijzen. Daardoor zijn ze meer dan slechts prototypes van menselijke tekortkomingen, zoals de personages in de meeste sitcoms. Ze zijn ook verpersoonlijkingen van de maatschappijkritiek waarmee The Simpsons is doordrenkt.

Neem de vader van de familie. Homer is op het eerste gezicht niet meer dan een typisch Amerikaanse man: eet graag fastfood, kijkt veel televisie, zit vaak in de kroeg, bezoekt regelmatig sportwedstrijden en heeft nauwelijks interesse in zijn gezin. Geestelijk is Homer niet zoveel ouder dan zijn zoon Bart: hij werkt zich continu in de nesten, pest graag zijn buurman en doet meestal alleen waar hij zin in heeft – zonder ooit na te denken over de gevolgen.

Maar daar houdt de personage niet op. Homer is ook een kritische allegorie op het westerse consumentisme. Hij is een slaaf van de reclames die hij ziet, kan nergens gematigdheid in betrachten en gaat over lijken om te krijgen wat hij wil. Zijn slechte eetgewoontes brengen voordurend zijn gezondheid in gevaar en hij liegt vaak om zijn leven mooier voor te doen dan het is. In het boek The Simpsons and Philosophy (2001) typeert de filosoof Raja Halwani Homer dan ook met het Oudgriekse woord akrasia: iemand zonder ruggegraat. Hij is, behalve een typische man, dus ook de ultieme consument: uitsluitend belust op onmiddellijke behoeftebevrediging.

Dochter Lisa is daar de antithese van. Zij is een belezen, saxofoon spelende, intellectuele, linkse activist die zich zorgen maakt om het milieu en de schending van mensenrechten. Oftewel, een echte idealist die nooit haar eigenbelang voorop stelt. In symbolische zin is haar personage dan ook kritiek op het „nationalisme”, „conservatisme” en „anti-intellectualisme in Amerika”, schrijft politiek filosoof Aeon Skoble. Lisa is een feminist in de dop en neemt nooit zomaar iets voor waar aan, vooral niet als het op televisie wordt gezegd – een duidelijke sneer naar de ‘typische Amerikaan’ Homer, die werkelijk alles gelooft wat hem op tv wordt voorgespiegeld.

Moeder Marge staat weer haaks op Lisa. Zij is zoals de Republikeinen de vrouw des huizes het liefste zien – absoluut geen feminist dus. Ze werkt niet, heeft geen ambities, maar zorgt wel goed voor haar familie en staat altijd rotsvast achter haar man. Ze heeft een luisterend oor en een goed advies voor iedereen en doet bovendien graag mee met wedstrijdjes taartenbakken. Deze personage is weer een kritische knipoog naar het liberale individualisme van Lisa. Want: zonder Marge zou de familie al lang van ellende uit elkaar gevallen zijn. Zonder conservatieve familiewaarden géén familie Simpson.

Bart heeft daar dan weer weinig boodschap aan. Bart is namelijk „een nihilist in de beste én slechtste traditie van Friedrich Nietzsche”, zegt de filosoof Mark Conrad. Hij is, net als Nietzsche, een rebel die niets op heeft met autoriteiten. Bart doet alles wat God, zijn ouders en de rector hem verboden hebben – hetgeen hem op school erg populair maakt. Hij is fan van gewelddadige cartoons en pest regelmatig klasgenootjes die niet twee koppen groter zijn dan hij.

Maar aan de andere kant is hij ook bij uitstek wat Nietzsche juist verafschuwde: een nietsnut zonder enige creativiteit of prestatiedrang. „I’m an underachiever and proud of it”, luidt zijn beroemdste oneliner. Zijn rebellie heeft dus helemaal geen functie: het is eerder pure verveling die hem drijft. Hoewel Barts geboortejaar niet duidelijk is (begin jaren 80), is zijn personage dan ook duidelijk een kritiek op de patatgeneratie: heeft alles, gelooft in niks en komt overal mee weg.

Het knappe aan de serie is overigens dat niet alleen de hoofdpersonen filosofische diepgang hebben. Bijna alle figuren in Springfield staan wel ergens symbool voor. Zo heb je Apu, de Indische immigrant die tevergeefs op zoek is naar de American Dream, maar tegelijkertijd alle klanten in zijn supermarktje afzet waar ze bij staan.

Zijn personage laat zien hoe ambigu Amerika tegenover buitenlanders staat: ze doen het vuile werk, maar worden intussen gezien als profiteurs. Homer vatte die dubbelzinnige houding ooit heel treffend samen, toen hij ontdekte dat hij voor een anti-immigratiewet had gelobbyd die ervoor zou zorgen dat Apu het land uit werd gezet. Totaal in paniek snelde Homer toen naar het supermarktje en zei: „I’m really, really gonna miss you, Apu!”

Verder is er nog de orthodox evangelische buurman Ned Flanders (die aan iedereen het Woord van God probeert te verkondigen); de überkapitalistische zakenman Mr. Burns (die een kerncentrale heeft en ooit probeerde de zon te blokkeren om meer winst te kunnen maken); de incompetente en corrupte ambtenaar Chief Wiggum (die politieagent is, maar liever donuts eet dan dat hij criminaliteit bestrijdt) en de apathische pastoor Lovejoy (die de Bijbel een „tweeduizend pagina’s tellende slaappil” noemde en vooral geïnteresseerd is in geld).

Hoewel je dus veilig kan stellen dat The Simpsons zijn kritische pijlen vooral richt op de dominante denkwijzen in de Amerikaanse (westerse) cultuur – zoals het kapitalisme, conservatisme, individualisme, evangelisme en consumentisme – is van een eigen ideologie geenszins sprake. Geen enkel wereldbeeld ontkomt aan de satirische hoon van de makers. Sterker nog, ook de karakters zelf zijn tegenstrijdig: Lisa is dan wel een idealist, maar bereikt eigenlijk nooit wat; Homer is lui en ongeïnteresseerd, maar vol liefde en goede bedoelingen en Bart is immoreel, maar echt kwaad doet hij nooit.

Juist dat paradoxale maakt de serie volgens de filosoof James Wallace zo succesvol. Het sluit perfect aan op de tijdgeest van de afgelopen twintig jaar. Wallace noemt The Simpsons niet voor niets „postmoderne televisie pur sang”, die door de „wirwar aan literaire verwijzingen, culturele zinspelingen, zelfreflexieve parodieën en absurd ironische situaties niet alleen het onvermijdelijke resultaat, maar ook de perfecte afspiegeling vormt van de gefragmenteerde, onsamenhangende en tegenstrijdige wereld van het moderne kapitalisme”.

Net als in de hedendaagse realiteit, stelt Wallace, zijn in The Simpsons „eenheid en eenduidigheid vervangen door tegenstellingen – tussen het sociale en het individuele, het publieke en het private, het algemene en het particuliere, het ideale en het concrete”. Daarom kent de serie – analoog aan het postmoderne bestaan – ook geen ontwikkelingen, uitsluitend verrassingen: veranderen doet Springfield nauwelijks, maar je weet nóóit wat je te wachten staat.

Dat het twintigjarig jubileum wordt gevierd met de verschijning van, uitgerekend, Marge Simpson als stoeipoes in de Playboy, zegt dan ook alles.