Een niet-christen mag slechts beloven

Politici en ambtenaren moeten voor zij in functie treden een ambtseed afleggen. Maar mogen daarbij ook andere goden dan de christelijke god worden aangeroepen?

Mag een moslim de eed op Allah afleggen in plaats van op God? Nee, zegt een deel van de Tweede Kamer. Als een moslim niet de formele, christelijke eed – „Zo waarlijk helpe mij God almachtig” – wil uitspreken, kiest hij maar voor de belofte. Deskundigen kwalificeren dit als „onhoudbaar”, „merkwaardig” en „onzin”.

Wie bij de overheid aan de slag gaat, bijvoorbeeld als politieagent, militair, politiek ambtsdrager of ambtenaar, moet beloven dat hij zijn functie naar behoren zal vervullen. Bij de eedaflegging moet hij de wijs- en middelvinger van zijn rechterhand aaneengesloten in de lucht steken en plechtig de eedformule uitspreken. Wie niet gelovig is, kan de belofte afleggen: „Dat verklaar en beloof ik.”

Aanhangers van andere religies dan het christendom mogen veelal niet de eed afleggen op hun god. Hierover bestaat geen eenduidige regelgeving. Zo is de islamitische eed geen optie voor rijksambtenaren en politieagenten. Bij gemeenten en provincies is het niet toegestaan voor politiek ambtsdragers, zoals wethouders en Statenleden, maar wel voor de ambtenaren. Militairen en personeel van Defensie mogen de eed op Allah afleggen.

De Kamer vindt die tweedeling onwenselijk, zo bleek toen vorige week een CDA-motie werd aangenomen. Naast ChristenUnie en SGP stemden VVD, PVV en Verdonk voor de motie waarin de regering wordt opgeroepen om de formulering van de eed en belofte voor ambtenaren bij provincies en gemeenten wettelijk vast te leggen. De VVD vindt niet dat moslims geen islamitische eed mogen afleggen, maar wil een eenduidige regelgeving. De PVV wil niet inhoudelijk reageren. Minister Ter Horst (Binnenlandse Zaken, PvdA) moet nog beslissen over de uitvoering van de motie. Onlangs zei zij in een overleg met de Kamer „het belangrijker te vinden dat provincies en gemeenten hun ambtenaren een ambtseed laten afleggen dan de precieze formulering”.

De christelijke partijen vinden dat alleen de christelijke eed mogelijk moet zijn. Kamerlid De Pater-Van der Meer (CDA): „Het is niet de bedoeling dat allerlei religieuze varianten gehanteerd kunnen worden. Dé religieuze variant in Nederland is de eed.” Kees van der Staaij (SGP) voegt daaraan toe: „Er is een wildgroei aan eedformules ontstaan, maar wij hebben geen behoefte aan die multiculturalisering. Het staat iedereen vrij om voor de belofte in plaats van de eed te kiezen, dus niemand komt in de knel met zijn geweten.”

Deskundigen verwerpen deze redenering. Waarom hebben christenen wél het recht om de eed af te leggen op de god in wie zij geloven, en aanhangers van andere religies niet? „De staat mag niet één godsdienst voortrekken”, zegt Jit Peters, hoogleraar staats- en bestuursrecht aan de Universiteit van Amsterdam. „Dat is discriminatie.” Ook Andreas Kinneging, hoogleraar rechtsfilosofie aan de Universiteit van Leiden, denkt er zo over. „Het is onhoudbaar om alleen de christelijke eed toe te staan”, zegt hij. „Of iedereen mag de eed zweren op zijn eigen god, of we schaffen de eed af en laten iedereen de belofte afleggen.” Het gaat om het gelijkheidsbeginsel, benadrukken beide hoogleraren. Het is vergelijkbaar met de vrijheid van onderwijs: je kunt moslims niet verbieden een islamitische school te beginnen als christenen hun eigen scholen hebben.

Behalve een juridische is het ook een morele kwestie, zegt Fokko Oldenhuis, bijzonder hoogleraar religie en recht aan de Rijksuniversiteit Groningen. „Ik vind juist dat je vanuit christelijk perspectief iemands roep om Allah niet moet blokkeren. Wat je zelf wenst, behoor je ook anderen niet te weigeren.” Hij vindt het „merkwaardig” dat CDA, SGP en ChristenUnie moslims verwijzen naar de belofte. De christelijke partijen zouden hiermee voorbijgaan aan de gevoelens van niet-christelijke gelovigen. „Formeel zijn de eed en de belofte gelijk, maar voor deze mensen is de belofte toch een mindere variant, dunkt me.”

Maurits Berger, hoogleraar islam in de westerse wereld aan de Universiteit Leiden, sluit zich daarbij aan. „Het is onzin om te zeggen: christenen kunnen de eed afleggen en de belofte is voor niet-gelovigen en niet-christenen. Dan schiet je als overheid echt je doel voorbij, en is de eed in feite overbodig.” Alhoewel Berger geen probleem voorziet voor moslims – „Allah betekent God, dus als moslim kun je gewoon de eed afleggen op God” – wil ook hij dat de overheid kiest: of de eed afschaffen en iedereen de belofte laten doen, of één ruime eedformulering aanbieden waar alle religieuzen zich in kunnen vinden. „We hebben burgemeesters en wethouders die niet-christelijk zijn, maar misschien wel in iets anders geloven. Natuurlijk kunnen zij de belofte afleggen, maar eigenlijk is dat geen keus.”

Staatsrechtgeleerde Tijn Kortmann vindt dat er meerdere religieuze varianten moeten kunnen bestaan, maar als het te complex wordt moet de eed worden afgeschaft. „Je kunt geen doos met twintig eden voor iemands neus zetten en hem laten kiezen”, zegt hij. Rechtsfilosoof Kinneging noemt een andere mogelijkheid: „Laten we het geloof uit de publieke sfeer verbannen en voortaan de eed afleggen op de Grondwet.”