De Man met een missie

Bondscoach Harald de Man wil het Nederlandse skiën op een hoger niveau brengen.

En op termijn moet dat leiden tot een olympisch kampioen. „Waarom niet?”

Harald de Man (36) trekt er zijn shirt voor uit om te laten zien waaraan het einde van zijn skicarrière te wijten is. Een paar flinke littekens markeren een licht afhangende rechterschouder. In medische termen het gevolg van kapotte nervus axillaris waardoor zijn deltoideus niet functioneert. In gewoon Nederlands: een mislukte zenuwtransplantatie van voet naar schouder, zodat De Man de skeletspier over zijn bovenarm niet meer kan gebruiken. En met een ‘lamme arm’ is het nu eenmaal moeilijk skiën.

De Man heeft het nog een seizoen geprobeerd, maar ervoer dat zijn handicap botste met zijn ambities. Berustend: „Ik wist dat ik er alles aan had gedaan om terug te keren, maar het ging niet meer. Ik stond na dat seizoen 120ste op de wereldranglijst en wist dat die schouder nooit meer goed zou functioneren. Het was klaar. En ik had er vrede mee.”

De Man schikte zich in het onvermijdelijke en werd bondscoach van de mannen in Nederland. Op het oog een organische overgang van de beste Nederlandse skiër met het hoogste trainersdiploma op zak – want De Man volgde de gerenommeerde opleiding bij de Oostenrijkse skibond. Maar Nederland is een vlak polderland. En een nietige skinatie. Waar begint de eerzuchtige De Man aan? Aan een lang traject, dat volgens hem en zijn collega-coaches bij de Nederlandse Ski Vereniging in 2018 moet leiden tot twee Nederlandse skiërs bij top-30 en zes bij de top-150.

Op papier een prachtige doelstelling. Maar ook realistisch in een land waar het ontbreekt aan de biotoop voor een skiër? De Man reageert fel als de bereikbaarheid van zijn streven in twijfel wordt getrokken. „Geen Nederlandse skiër zou de de top kunnen halen? Nou, ik denk van wel. Ja, ik vind de top-30 de absolute top. Op dat niveau zijn de verschillen gering. En natuurlijk kan een Nederlandse skiër olympisch kampioen worden. Waarom niet? Van turners dachten we ook dat die nooit de wereldtop zouden halen. En moet je nu zien. Het is een kwestie van voorwaarden scheppen, een goede visie hebben en elke dag de wil hebben je te verbeteren.”

De Man spiegelt zijn verwachtingen aan zijn eigen carrière, waarin hij onder meer bij de WK in 1997 in Sestrière zeventiende werd op de reuzenslalom, waarmee hij op twee plaatsen na kwalificatie voor de Olympische Spelen in Nagano miste. Een seizoen later werd De Man bij een wereldbekerwedstrijd in Aspen 26ste op de Super-G, waarmee hij als eerste en tot op heden enige Nederlander punten voor de World Cup behaalde. Prestaties waar De Man trots op is en die voor hem het bewijs vormen dat ook een Nederlandse skiër tot de top kan doordringen. „Dat is een van de redenen dat ik bondscoach van Nederland ben geworden. Het lijkt me gaaf Nederlandse skiërs naar dat niveau te brengen. En ik weet wat de mogelijkheden en de beperkingen zijn. Ja, het is een zwaar woord, maar je kunt het mijn missie noemen.”

Het gebrek aan sneeuw in Nederland hoeft volgens De Man geen beletsel te zijn. Het is een kwestie van de grondbeginselen goed aanleren. Daarvoor zijn goede trainers nodig. En dat heeft de skivereniging goed begrepen, vindt De Man, want in mei 2010 begint de bond met een trainersopleiding. Maar Nederland moet zich niet spiegelen aan een groot skiland als Oostenrijk. „Dat systeem kunnen wij niet kopiëren”, zegt De Man. „Wij moeten het op onze manier doen, met visie en een zorgvuldige begeleiding van talent. Wij moeten skiërs een goede fysieke, mentale en technische basis meegeven. Wij zijn geen Oostenrijk waar elke jaargang tweeduizend kinderen goed willen worden, maar van wie er misschien twee de top halen. In Oostenrijk gaat het er didactisch ook minder zorgvuldig aan toe. De toppers selecteren zichzelf op mentale hardheid.”

Als de Nederlandse junioren zich in de Nederlandse skihallen goed voorbereiden en vervolgens tien à twaalf weken naar de Alpen gaan, hebben ze volgens De Man vrijwel net zoveel trainingsdagen in de sneeuw als hun Oostenrijkse leeftijdsgenoten. In de wintermaanden verzamelt de juniorenselectie – Joeri van Rooij, de enige senior, is ingekocht bij het Britse team – zich in het Oostenrijkse dorpje Piesendorf, waar de skibond een voormalig hotel als vast onderkomen heeft gehuurd. Voor bondscoach De Man een ideale locatie, want hij woont met zijn Oostenrijkse echtgenote en tweeënhalf jaar oude zoontje in het nabijgelegen Maishofen.

Een levenlang skiën heeft De Man verknocht gemaakt. Wat hem zo aan die sport boeit? „De complexheid. Je hebt er snelheid, kracht, coördinatie en uithoudingsvermogen voor nodig. Dat vind je in weinig andere sporten. Hardlopen is gemakkelijker. Met wat duurvermogen en een beetje techniek kom je ver. Maar skiën is een sport met een andere dimensie. Je moet ook een beetje gek zijn om deze sport te beoefenen.”

Of De Man iemand uit zijn selectie kan noemen die we de komende jaren in de gaten moeten houden. Nee, dat kan de bondscoach nog niet. Om de simpele reden dat het talent niet alles zegt over de mentale weerbaarheid. Hij neemt de Oostenrijker Michael Walchhofer als voorbeeld. „Die ken ik toevallig van een trainingscentrum waar ik vaak kwam. Hij was zo’n slungel van wie je dacht dat-ie zijn lichaam niet onder controle heeft; coördinatief ongelooflijk zwak. Het zag er niet uit. Maar hij is uitgegroeid tot een van ’s wereld beste afdalers.”

Als de ideale skiër al bestaat, komt wat De Man betreft de Amerikaan Ted Ligety het dichtst in de buurt. Hij heeft onlangs van hem genoten tijdens de eerste wereldbekerwedstrijd (de reuzenslalom) in het Oostenrijkse Sölden. „Volgens mij heeft Ligety daar laten zien waar het skiën de komende jaren naartoe gaat. Hoe hij op de steile stukken skiede, was ongelooflijk knap. Hij ‘bracht’ niet de achterkanten om de ski’s ‘vast’ te zetten, maar hij sneed op de kanten naar de palen, een techniek die door de hoge druk op ski’s moeilijk is uit te voeren. Het kost veel kracht en vereist een goede timing, zo van: wanneer zet ik die bocht in en wanneer verklein ik de kanthoek. Als je echt snel wilt zijn, moet je volgens mij die techniek van Ligety perfectioneren.”

In dit olympische jaar zullen geen Nederlandse skiërs naar Vancouver uitgezonden worden. Er is nog een theoretische kans, maar in de praktijk zijn de eisen te hoog, weet ook De Man. Nu is er volgens hem ook nog geen Nederlander rijp voor de Spelen. Maar op termijn wel. En dan zou het naar zijn idee goed zijn als de selectie-eisen (top-8 van de wereld) aangepast worden aan de hoge moeilijkheidsgraad van de sport. De Man: „Een plaats in de top-30 vind ik voor skiërs reëel. Want als je dat haalt, ben je ook in staat de top-8 te bereiken.”