De maat van een land

Over de neergang van ING kun je verschillend oordelen. Vorige directies zullen het er misschien wel naar gemaakt hebben dat de Amsterdamse Zuidas alweer een kantoor rijker is dat te mooi, te groots is voor de nieuwe werkelijkheid. Achteraf is altijd gemakkelijker praten.

Minstens zo interessant is een andere werkelijkheid die ermee samenhangt en waarvoor te midden van alle opwinding en verontwaardiging erg weinig aandacht bestaat: de markt van Europa is de markt niet meer. Er is veel applaus voor de kordaatheid van Neelie Kroes. Immers, banken die hebben gefaald moeten alleen worden gered als het absoluut noodzakelijk is en wanneer ze naderhand ook stevig op de blaren moeten zitten. Banken in Duitsland (Commerzbank), Nederland (ING) en Groot-Brittannië (RBS) betalen een stevige prijs voor hun eerdere redding.

Maar het terugsnijden op de nationale maat van zo’n bank heeft ook andere consequenties: het betekent dat kleine landen zich alleen kleine, grote landen zich ook grote banken kunnen veroorloven. De maat van een bank wordt afhankelijk van de maat van een land, niet van de maat van Europa. Voor de meest kleinere Europese lidstaten betekent dit nogal wat.

Nationale regeringen en toezichthouders hebben vele jaren laten verlopen waarin een werkelijk Europese markt voor financiën had kunnen worden gemaakt. Maar het liep altijd stuk op zogeheten consumentenbescherming – elk land wilde voor zijn eigen consumenten verantwoordelijk blijven. De nationale consument was toch al argwanend genoeg jegens ‘Brusselse almacht’. Remmende krachten in de politiek hadden het tij mee.

Na de dreigende instorting van het halve bankwezen een jaar geleden, kwam daar nog eens bij dat grote banken moesten terugvallen op garanties van de staat. Dat konden alleen garanties van de nationale staat – dus van de nationale belastingbetaler – zijn, want er is geen Europese instantie of daarachter een Europese belastingbetaler die garant kon staan. De balans van ING bijvoorbeeld was strikt genomen al te groot om te behappen voor de Nederlandse belastingbetaler. Een bank van dat formaat hoorde in Duitsland te staan, of in Frankrijk of in Londen. De Zuidas als een geografisch misverstand?

Om een misverstand te voorkomen: dit is precies wat de Nederlandse kiezer wil, want een grote meerderheid wil al een tijdje minder, niet meer Europa. En politici zingen dat in koor mee. Dan is dit echter wel een logische consequentie. Je hoort er weinig over.

Dat wringt te meer omdat de buitenwereld de oude draad weer oppakt. Het idee om overal het bankwezen te ontkoppelen en een scheiding aan te brengen tussen gewone banken en investeringsbanken verdwijnt steeds verder achter de horizon. De oude vakman Paul Volcker, ingehuurd door president Obama, om zo’n type sanering van het stelsel uit te zoeken, vindt minder en minder weerklank. Zijn voorstellen waren vrij overzichtelijk: houd gewone banken saai en degelijk, met een ordentelijke verhouding tussen vreemd en eigen vermogen en voldoende buffers om in geval van crises tegen een stootje te kunnen. En laat investeringsbanken het casinospel spelen zoals ze willen: wie erin belegt kan goed verdienen en stevig verliezen, maar dan moet iedere bankier de handen afhouden van spaartegoeden van de eenvoudige spaarder. En van de staat. Zo overzichtelijk wil Paul Volcker het weer maken.

Maar het gaat precies de andere kant op. Volgens Neil Barofsky, de speciale inspecteur-generaal van het Amerikaanse reddingsfonds voor de banken, zijn er weliswaar banken omgevallen, maar kunnen de overlevers het casinospel nu derhalve veel grootscheepser spelen. Barofsky, openhartig tegen CNN: „Die banken die te groot waren om failliet te gaan, zijn nu nog groter. De gedachte dat de overheid deze banken niet failliet laat gaan, werd een jaar geleden alleen maar verondersteld, maar is nu een expliciet gegeven. Er is geen betekenisvolle verandering van de regels gekomen (...) en in potentie kan het gevaarlijker zijn dan een jaar geleden.”

Een aardige illustratie levert Goldman Sachs, een uitstekende bank met een uitstekende baas, Lloyd Blankfein. In 2008 moest hij het met zijn kale salaris zonder bonus doen. Gelukkig werd hij dankzij het gestegen Goldman Sachs aandeel de afgelopen twaalf maanden toch weer 400 miljoen euro rijker. De bank doet het namelijk uitstekend. Veel concurrentie is verdwenen en dankzij de redding van enkele grote andere concerns door de Amerikaanse staat, bleven uitgebreide bezittingen op Blankfeins bankbalans intact.

Er is veel ongenoegen over de nieuwe bonus-ronde bij Goldman Sachs en enkele andere banken, en dat is begrijpelijk, want de winsten zijn vooral aan de belastingbetalers te danken. Maar daar gaat het hier nu even niet over. Het gaat om de terugkeer van een patroon van grote, machtige banken. Dat brengt niet alleen risico’s en waarschijnlijk valt dat voorlopig ook nog wel mee. Maar het levert banken op met een hele grote oorlogskas om in de wereld straks op koopjesjacht te gaan.

In een Europa zonder Europese marktmacht zijn bankinstellingen straks een gemakkelijke prooi. Kleinere landen met Europese ambities zullen een zijspoor moeten kiezen of bij grote landen moeten aanhaken. En de echt grote instellingen – uit Amerika en China – zullen baas zijn in eigen huis en zullen elders in de wereld kunnen winkelen naar dingen die van hun gading zijn.

Instemming met Brussels optreden tegen mankerende banken is alleszins begrijpelijk. Maar het is maar de helft van het verhaal. Een Europese markt voor financiële dienstverlening raakt te midden van alle kordaatheid steeds verder uit zicht.

Wilt u reageren? Dat kan op nrc.nl/knapen