Alleen idioten en Europeanen

‘Bij mijn sollicitatie vroegen ze wel of ik van ‘wándelen’ hield, ja”, mokt Diego, terwijl hij door de rivier waadt. „Niet of ik uren met goedkope stinklaarzen door – au! – prikkelbosjes en kolkende rivieren wil sjouwen!” Hij zakt neer op een steen, trekt hijgend zijn laarzen uit en begint aan een uitgebreide inspectie van zijn teen. „Hij bloedt!” Patachuma, mijn indiaanse verpleegkundige en de vier indianen die mee zijn om te helpen de medicijnen te sjouwen, staren vol verbazing naar onze kersverse collega.

In de drie maanden die ik werkzaam ben bij Dokters van de Wereld is dit al mijn derde Colombiaanse collega-arts. De eerste medearts miste zijn familie zo, dat hij zich elk weekend 58 uur met een fles rum in zijn kamer opsloot. De volgende arts hield de eerste dag een avondvullende monoloog over de driedaagse orgasmes die hij vrouwen kon bezorgen. De tweede dag begon hij over de heilzame werking van coke op de bloedvaten. Toen hij de derde dag enthousiast vertelde over zijn oude studievrienden, die bij de FARC zaten en hij hier in de jungle weer hoopte te ontmoeten, werd hij op staande voet ontslagen. Samen met Patachuma observeer ik hoe onze nieuwste aanwinst Diego, een soort Spaanstalige Frank Govers met coupe soleil, Gucci-zonnebril en beugel (de nieuwste rage onder rijke Colombianen) minutieus zijn Tommy Hilfiger-sokjes zit uit te wringen.

Patachuma wijst op de laagstaande zon. „We halen de indianengemeenschap nooit voor het donker, Doctora. We zullen onderweg moeten slapen.” „Midden in de jungle? Is er écht geen kans…” Patachuma rekent: „Nog twee uur. Als we non-stop doorlopen…” „Diego!” schreeuw ik in acute autoriteit. „Laarzen aan! Patachuma: Zet hem op de muilezel.”

Onder hevig protest wordt Diego op de ezel gehesen. De rest van de route zingt hij tevreden en vals Shakira met zijn iPod mee, tot eindelijk een paar hutjes in de schemering opduiken.

De volgende ochtend om half zeven word ik uit mijn droom gehaald door een gevoel van nattig schuurpapier tussen mijn tenen. „Vaca! Vaca!” Patachuma rent in zijn onderbroek achter de schuldige koe aan, zijn T-shirt als lasso boven zijn hoofd zwaaiend. Naast me ligt Diego te snurken met een mager, schurftig hondje krampachtig tegen zich aangedrukt. „Zo’n beest zit vol ziektes, dat zou jij als arts toch…” zeg ik. Hij opent zijn ogen en begint van oor tot oor te glimmen. „Dit is Gigi”, zegt hij. „Ik vond hem gisteravond. Hij is zijn moeder kwijt… Dus slaap je lekker bij mij, hè. Kun je me beschermen tegen de cucarachas.” Hij rilt even. „Brr... Ik ben doodsbang voor kakkerlakken.”

„Zijn er in dit land ook normále artsen?”, vraag ik Patachuma als we medicijnen uitpakken. „Natuurlijk! Die verdienen in Bogotá bakken met geld en zitten ’s avonds lekker thuis. Alleen idioten kiezen er toch vrijwillig voor om hier te werken?” Als ik frons, voegt hij haastig toe. „En Europeanen natuurlijk. Maar dat is anders. Jullie hebben … hoe noem je dat?... ‘idealen’ enzo.”