Van bosneger tot marron

Nadat New York in 1667 was ingeruild voor Suriname, scheepte Nederland zo’n 300.000 Afrikanen in om als slaaf op de plantages te werken. Elk jaar vluchtten honderden van hen de bossen in. Alex van Stipriaan Luïscius (1954) onderzoekt de historie van die weggelopen marrons. Hij is hoogleraar Caraïbische geschiedenis en conservator bij het Tropenmuseum, dat net een tentoonstelling over de marroncultuur geopend heeft.

De marrons zijn wat vroeger bosnegers heetten?

„Ja, maar ‘neger’ is in diskrediet geraakt, en de meerderheid woont niet meer in het bos: tweederde van de 120.000 marrons van nu leeft in Paramaribo, Frans-Guyana en Nederland. Marron komt van ‘cimarrones’, een Cubaanse term voor weggelopen vee. Dat woord – inmiddels een geuzennaam waaraan je de vrijheidsstrijd kunt aflezen – is in alle talen terechtgekomen. Vluchtende slaven had je overal.”

Maar alleen in Suriname is er echt iets overgebleven van die gemeenschappen?

„In het binnenland waan je je nog steeds in West-Afrika.Je ziet het ook in de gebruiken. In West- en Centraal Afrika is textiel vaak een boodschappendrager: een vrouw maakt bijvoorbeeld een prachtige pangi – een wikkelrok of omslagdoek – met teksten en motieven die een liefdesverklaring zijn. Die geeft ze aan de man. Of ze bekritiseert hem door hem te dwingen rond te lopen met een doek waaraan je kunt zien dat hij vreemdging. Na de verkiezing van Obama zag ik in Suriname meteen pangi’s met zwart-wit-motieven of gestileerde vredesduiven.”

Konden de gevluchte slaven rustig wonen in de bossen?

„Nee, maar ze sloten zich aaneen en vielen ook zelf geregeld de plantages aan. Het beeld van een geïsoleerde cultuur klopt dus niet. In 1760 hebben de Marrons een vredesaanbod aan de koloniale overheid gedaan. Net als in Jamaica was gebeurd. Het lukte: in ruil voor het uitleveren van nieuwe vluchtelingen beloofde de overheid geen achtervolgingsoorlogen meer te voeren en hun jaarlijks een bepaalde hoeveelheid wapens en werktuigen en dergelijke te leveren. Dat bracht rust, maar het was wel een knieval.

Bij de binnenlandse oorlog van 1986 tot ’92 tussen Bouterse en guerrillaleider Ronnie Brunswijk, een marron, leek het of de oude strijd herleefde: het ging weer tegen het centraal gezag in de stad.”

Overleeft de marroncultuur?

„‘Help, alles verdwijnt’ roepen mensen al snel. Maar een levende cultuur verandert voortdurend. Het houtsnijwerk, het textiel, de hele levensstijl van marrons is door de eeuwen steeds veranderd. Nu heb je raps in de marrontaal en wordt er ook moderne kunst gemaakt. Maar vaak klinken daar oudere vormen doorheen.

Ondertussen rukt wel de stad op in het binnenland en op de goudvelden is zich door het gebruik van kwik een ecologische ramp aan het voltrekken.”

Liesbeth Koenen

Zondag spreekt prof.dr. Alex van Stipriaan Luïscius over de marroncultuur, 14.00 uur. Tropenmuseum, Linnaeusstraat 2 Amsterdam. Toegang: museumkaartje. Reserveren: 020-5688233.