Terug in het publieke debat: demoniseren

Het werkwoord ‘demoniseren’ is terug in het publieke debat. Het wordt gebruikt in beschuldigingen aan het adres van iemand die opvattingen uit, of een vergelijking maakt, die een ander op het idee kan brengen geweld te gebruiken.

Die betekenis kreeg het woord in 2002, in de nasleep van de moord op Pim Fortuyn. De terugkeer van het woord, zo leert ook een blik in de archieven van de grootste dagbladen, begon vorige week. Toen noemde PVV-leider Wilders de minister van Integratie Eberhard van der Laan (PvdA) en D66-leider Alexander Pechtold „handlangers van Mohammed B”. Reden: de minister had Wilders’ groeiende aanhang een gevaar voor de rechtsstaat genoemd. Pechtold noemde de PVV-leider een racist. Wilders: „PvdA en D66 hebben blijkbaar niks geleerd van de moord op Pim Fortuyn”.

Gisterenavond dook het woord opnieuw op na uitlatingen van zanger Herman van Veen. Die was „echt geweldig van de leg”, zo zei hij in het tv-programma Pauw & Witteman. Hij had die dag duizenden woedende en „angstaanjagende” mails gekregen. Steen des aanstoots: Van Veen had het gebrek aan „democratische structuur” van de PVV vergeleken met de interne organisatie van de NSB. Hij kreeg daarop van Wilders’ advocaat Moszkowicz het verwijt te demoniseren. Maar is het niet juist Geert Wilders die zich opwerpt als een extreme verdediger van de vrijheid van meningsuiting? Daar herinnerde minister Klink (Volksgezondheid, CDA) in dezelfde uitzending aan. De meningsuiting is vrij en „dreigen is misplaatst”, zei Klink.

Wilders reageerde vanmorgen. Het bedreigen van Van Veen noemt hij daarin „zeer kwalijk”. Tegelijk voegde hij er aan toe dat het afgelopen moet zijn met „het demoniseren van de PVV”. En hij gaf nog even zijn eigen definitie van het begrip demoniseren: „het maken van domme opmerkingen en kwalijke vergelijkingen”.