Rijnlandmodel doorstaat de test

Het heeft er een tijd lang alle schijn van gehad dat de val van de Berlijnse Muur, gisteren twintig jaar geleden, het Duitse kapitalistische systeem zou ondermijnen. Maar het Rijnlandmodel – hoge lonen, geavanceerde technologie, industriële samenwerking en langetermijnfinanciering door de banken – lijkt de test glansrijk te hebben doorstaan.

Het einde van het Oost-Duitse regime leidde in eerste instantie tot politieke geestdrift, en vervolgens tot economische angst. De productiviteit van de Oost-Duitse beroepsbevolking (20 procent van het totaal van het herenigde Duitsland) bedroeg slechts 35 procent van die van de West-Duitsers.

Tegen het midden van de jaren negentig werd de hereniging dikwijls beschouwd als een economische mislukking. Hoewel de doelmatigheidskloof voor degenen die werk hadden gestaag was geslonken – in 1996 bedroeg de Oost-Duitse productiviteit 80 procent van de West-Duitse – was de groei van het bruto binnenlands product (bbp) traag en de werkloosheid, met name in Oost-Duitsland, onaanvaardbaar hoog.

Critici zeiden dat het Duitse model te rigide was voor het oosten en voor een meer op concurrentie ingestelde wereldeconomie. Zij bepleitten het vrijer maken van alle markten: minder beperkende arbeidswetgeving, lagere staatssubsidies, minder kartelvorming in de industrie en meer beursnoteringen.

Duitsland veranderde ook daadwerkelijk. Hervormingen van de arbeidswetgeving maakten het minder aantrekkelijk om werkloos te zijn. De grote banken verkochten het grootste deel van hun aandelen in toonaangevende bedrijven, en de overheid liberaliseerde het financiële systeem.

Maar de ontmanteling van het Rijnlandmodel ging niet erg ver. Dat hoefde ook niet. De werkloosheid daalde, deels door toedoen van de arbeidshervormingen. De hoge kwaliteit van de nationale industrie leidde tot een overschot op de handelsbalans van nog immer 5 procent van het bbp.

De eenwording is niet een volledig economisch succes geworden. De Oost-Duitsers zijn nog steeds armer, ondanks het feit dat een relatief groot deel van de overheidsbegroting naar het Oosten gaat. Maar het verval is een halt toegeroepen. De financiële crisis heeft een diepe recessie met zich meegebracht, maar speelde de critici van het Duitse model ook parten. De Angelsaksische, op concurrentie gerichte vorm van het kapitalisme lijkt zo haar eigen problemen te hebben. De Duitse banken die het het zwaarst te verduren hebben, zijn degenen die hun traditionele kredietverleningsactiviteiten uit het oog zijn verloren.

En Duitsland lijkt veerkrachtig te zijn. De exportorders stijgen weer en de werkloosheid daalt. In Engeland, Europa’s meest uitgesproken exponent van een vrije markteconomie, wijzen de meeste indicatoren daarentegen nog steeds in neerwaartse richting.

Edward Hadas

Vertaling Menno Grootveld

Voor meer commentaaruit Londen:www.breakingviews.com