Post uit de voormalige DDR

Kort geleden ontving ik elektronische post van een mijnheer uit Gotha in de voormalige DDR. Deze beschreef hoe hij in mei 1980 als tienjarig knulletje door de wielersport gegrepen werd. Twee weken lang had hij gebiologeerd voor de televisie gezeten wanneer de Vredeskoers werd uitgezonden.

‘Die Friedensfahrt löste bei mir eine Begeisterung aus, die mich schliesslich immer stärker mit dem Rennen und dem Radsport in Verbindung brachte.’

Die Friedensfahrt van 1980 heb ik gereden. Niet zonder succes. Ik eindigde als tweede tussen de brute staatsamateurs van het Oostblok.

De koers stond ook bekend onder de naam Warschau-Berlijn-Praag. Het was een soort communistische tegenhanger van de Tour de France, met een vage anti-fascistische boodschap. Ik dwong er mijn eerste profcontract af.

De mijnheer uit Gotha had een aantal bijlagen aangehecht. Gescande uitslagenlijsten uit de Vredeskoers van 1980, maar ook gescande kranten- en tijdschriftartikelen. Een ervan kwam uit Freie Welt. Ik was ontroerd. Een jochie van tien had in een deel van de wereld dat wij indertijd als unfreie Welt beschouwden, een plakboek bijgehouden.

Mei 1980. Ik sta voor een hotelraam op pakweg de vijfde verdieping van een hotel in Oost-Berlijn. Beneden me boomkruinen en daartussen de daken van een paar Trabantjes. Geen mens te zien. Of toch, daar verschijnt een gezinnetje. Man, vrouw, dartelende kinderen. Geïndoctrineerd als ik ben in de vrije wereld verbaast het me dat er aan de andere kant van de Muur ook gewoon leven mogelijk is.

Een paar dagen later in de stad Halle. Het Oost-Duitse wonderkind Olaf Ludwig ragt met een onwaarschijnlijke tandwielverhouding naar de overwinning in de tijdrit. Ik tref hem als hij in de hotelgang op een massagetafel ligt. Uit respect – en in een poging tot contact – knijp ik in zijn dijen. Ik schrik van de weergaloos malse massa. Het onvrije vlees is van jaloersmakende kwaliteit.

De jongens uit de DDR blijken zeer toegankelijk. Ze praten openhartig over hun privileges als sportend uithangbord van een politiek regiem dat ze uit de grond van hun hart haten. Liefst zouden ze professional worden in het Westen, en op het allerhoogste niveau in de grote klassiekers en de Tour de France schitteren. Op de vraag waarom ze na een uitstapje naar het Westen niet gewoon achterblijven, geven ze helaas geen helder antwoord.

De mijnheer in mijn mailbox vertelde dat zijn eigen carrière als wegrenner een zeer kort leven beschoren was. Hij trad niet in details. Zou hij, nadat hij zich als jonge vrijwilliger gemeld had bij een Radsportschule, bij gebrek aan talent onvrijwillig in de zogenoemde B-categorie zijn beland, waarop ten behoeve van de A-sporters allerlei medische en andere experimenten werden losgelaten?

Ik ga het hem gewoon vragen.