En als een kind nu topsporter wilde worden?

Een verbod op genetische behandeling van ongeboren kinderen zou onjuist zijn.

We moeten er vanuit gaan dat ouders te goeder trouw handelen. Zij beslissen.

„Wat voor ouders uitoefening is van het recht op vrije keuze, zal voor kinderen altijd lot zijn.” Dit is volgens filosoof Laurens Landeweerd een ‘onoverkomelijk’ bezwaar tegen prenatale genetische manipulatie (nrc.next, 3 november). Kinderen mogen niet het slachtoffer worden van de obsessies van hun ouders, en moeten behoed worden voor ouders die over hun rug ‘hobbyisme’ willen bedrijven. Verbied daarom behandelingen voor de geboorte en laat kinderen liever zelf voor een genetische behandeling kiezen als ze volwassen zijn.

Met zijn veto op prenatale behandelingen doet Landeweerd geen recht aan de motieven van ouders die daarvoor zouden kiezen. Zoals de meeste ouders worden ze niet gedreven door obsessies, maar willen ze slechts de kansen op welzijn voor hun kinderen verhogen. Ouders zijn over het algemeen niet geïnteresseerd in het kweken van een of andere toptennisser, maar wel in meer gezondheid, intelligentie en schoonheid voor hun kind.

Daarnaast is het ook absurd deze ingrepen te verbieden, omdat kinderen zelf de keuze voor prenatale behandelingen nog niet zouden kunnen maken. Ouders maken de hele tijd beslissingen die hun kinderen zelf nog niet kunnen maken of waar ze het niet mee eens zijn. Sterker nog, in het nemen van die beslissingen ligt juist hun ouderlijke plicht en verantwoordelijkheid. Er is geen enkele reden om die verantwoordelijkheid in de prenatale fase plotseling ongeldig te verklaren.

Ouders hoeven de keuzes die ze voor hun kinderen maken aan niemand anders dan zichzelf te verantwoorden. Ook al zou jij andere keuzes maken, je zult er te goeder trouw vanuit moeten gaan dat iedere ouder in het beste belang van zijn kinderen handelt. Alleen wanneer evident blijkt dat niet in het belang van het kind wordt gehandeld, mogen we optreden. Bijvoorbeeld als prenatale ingrepen worden uitgevoerd met de intentie om verminking of ziekte te veroorzaken. Zodra echter niet met overtuiging kan worden aangetoond dat het schadelijk voor het kind is, is iedere beperking van de handelingsvrijheid van de ouders onverdedigbaar.

Het gevaar voor hobbyisme dat Landeweerd als argument opvoert mist die overtuiging. En dat geldt ook voor zijn voorstel om kinderen zelf te laten kiezen als ze eenmaal volwassen zijn. Hij vindt dat namelijk ‘democratischer’ dan wanneer ouders die beslissing maken. Maar als je op je achttiende pas kan kiezen voor de genetische uitrusting van een toptennisser, dan blijft je achterstand op iemand die dat van nature heeft, alsnog te groot om ooit een topniveau te bereiken. Zo’n kind zou het ongetwijfeld ‘democratischer’ hebben gevonden als zijn ouders hem dat talent vanaf het begin hadden meegegeven.

Onze huidige technologische ontwikkeling kenmerkt zich door een chronische en alsmaar toenemende tempoversnelling. Met dat tempo zal hoogwaardige gentechnologie samen met geavanceerde reproductietechnieken de maakbaarheid van ons nageslacht binnen bereik brengen. Het op voorhand taboe verklaren daarvan, zoals Landeweerd doet, is misschien een leuke filosofische hobby, maar doet geen recht aan de motieven en de vrije keuze die ouders daarin hebben.

Die vrijheid betekent overigens ook dat er ouders zijn die, om welke reden dan ook, er voor kiezen niet mee te gaan in de vlucht van human enhancement. Het is belangrijk dat we hun recht, en dat van hun kinderen, op een waardig en gelijkwaardig bestaan weten te garanderen. Daar zou Landeweerd zich beter op kunnen concentreren.

Marcel Zuijderland is filosoof en publicist