De Jong bedreef de liefde op papier

Beeldende kunst Gooitzen de Jong, beeldhouwer, schilder en tekenaar. T/m 6 december in Museum De Buitenplaats, Hoofdweg 76, Eelde. www.museumdebuitenplaats.nl***

De beeldhouwer Gooitzen de Jong (1932-2004) exposeerde niet vaak, maar als hij exposeerde waren de kunstcritici het met elkaar eens. Charles Wentinck schreef al in 1961 over hem dat hij de kunst verstond „de klassieke conceptie van een sculptuur te handhaven in een volkomen eigentijdse interpretatie”. „Het is traditie én experiment”, schreef een andere recensent later, „een harmonische vereniging van verleden en heden.”

Vijf jaar na De Jongs dood presenteert Museum De Buitenplaats in Eelde een keuze uit zijn beelden, schilderijen en tekeningen en wederom blijkt dat hij een moderne beeldhouwer in een eeuwenoude traditie was. Hij kon een liggend naakt of een badende Suzanna maken, een Pegasus of een beeld van Leda en de zwaan, en aan zo’n klassiek onderwerp toch een originele draai geven. Leda’s ledematen en de nek van de zwaan zijn een soort slangen geworden die om elkaar heen kronkelen. Grove plakken witte klei zijn, als je wat langer kijkt, een liggend naakt, en als je nog wat langer kijkt weer grove plakken witte klei.

Bijna altijd bracht De Jong een motief terug tot een bundeling van kleinere volumes. Af en toe waren dat rechte of gebogen cilinders, zoals in Leda en de zwaan, maar veel vaker waren het hoekige vormen.

Hij speelde kennelijk het liefst met blokken. In een voortreffelijke nieuwe monografie (Waanders Uitgevers, 208 blz., €19,95) typeert Jan Teeuwisse De Jongs stijl als ‘kubistische figuratie’. Ook in die moderne manier van stileren stond de beeldhouwer al in een traditie, namelijk die van zijn leraar Henk Zweerus en diens leermeester Jan Bronner.

Nu moet je van goede huize komen, wil je zo’n radicale vereenvoudiging van natuurlijke vormen tot een goed einde kunnen brengen. Als je niet uitkijkt, maak je alles zo consequent vierkant dat het saai of artistiekerig wordt. Zo ver is De Jong haast nooit doorgeschoten. Bij alle abstrahering hebben zijn beelden toch nog voldoende nuances die van waarneming en verrassing getuigen. Het kubisme is altijd dienstbaar aan de figuratie. Portretbustes bijvoorbeeld zijn blokachtig versimpeld en karakteristiek tegelijk. Het zijn lijkende portretten, dat zie je zelfs als je de geportretteerden niet kent.

Intussen zijn De Jongs tekeningen en schilderijen minstens zo interessant als zijn ruimtelijke werk, juist omdat hij ook op het platte vlak in drie dimensies dacht. In Eelde is een verrukkelijke groep tekeningen van hem te zien uit de collectie van het Rijksmuseum. Helaas hangen ze een beetje opgepropt in een hoek van de tentoonstelling, omdat Museum De Buitenplaats tegelijk met De Jongs werk een stel schilderijen van Matthijs Röling wilde laten zien. Prima schilderijen, daar niet van, maar De Jongs tekeningen hadden de extra wandruimte verdiend. „De beste tekenaar van onze tijd”, noemde Jan Wolkers hem in de jaren zestig, en kijkend naar de figuurstudies uit het Rijks begrijp je wel hoe Wolkers daarbij kwam.

De modellen zijn steeds gebeeldhouwd met krijt of potlood, stevig opgebouwd uit hoekig gearceerde volumes. Billen, schouderbladen, scheenbenen en knieschijven: alles is in hellende vlakken en vlakjes afgetast, met een onmiskenbare gretigheid.

Er zit een aangename en meeslepende intimiteit in De Jongs modeltekeningen, die nog uitgesprokener is in zijn getekende of op papier geschilderde erotische voorstellingen. Op de tentoonstelling zijn er een paar te zien, in het boek staan er nog meer. In die seksscènes heeft De Jong zich echt uitgeleefd op de mogelijkheden die twee of meer menselijke lichamen bieden. Hij heeft de liefde bedreven op papier. De getekende stellen zijn nog inniger met elkaar verstrengeld dan de bronzen Leda met de zwaan.