Bij Grizzly Bear slaat verveling al snel toe

Pop Grizzly Bear. 9/11 Melkweg Amsterdam.**

De muziek van de Amerikaanse groep Grizzly Bear trekt een langzaam spoor door de achterkamers van de geest. Het rockt niet, het swingt nauwelijks, het meandert. Vooral meisjes vinden het mooi; misschien wel uit compassie met de muzikanten die zich net niet helemaal lekker voelen op een groot podium. Ondertussen maakt het viertal de mooist mogelijke muziek die in hun vermogen ligt, met de puntjes van hun tongen uit de mond.

Grizzly Bear uit Brooklyn is onderdeel van de renaissance van de Amerikaanse folkrock, tussen geestverwanten als Bon Iver en The Low Anthem. Het is ‘spacemuziek’ zonder drugs, kabbeldeunen zonder grote waterverplaatsing. Tot vervelens toe worden ze vergeleken met de Beach Boys, omdat ze nu eenmaal gebruik maken van meerstemmige zang. Maar Grizzly Bear is veel abstracter, veel meer naar binnen gericht dan hun grote voorgangers. Compacte liedjes zijn schaars op hun recente album Veckatimest, genoemd naar een onherbergzaam schiereiland. Meer dan gewone popsongs maken ze schetsen van gedroomde melodieën, die in de lucht blijven hangen boven een dorre rotsbodem.

Zangers Ed Droste en Daniel Rossen zijn ongemakkelijke performers die waarschijnlijk liever in het donker zouden zingen, zo schuw stonden ze er gisteren bij in een uitverkochte Melkweg Max. Daar leek het op een wonderlijke manier veel minder druk dan de avond ervoor bij Editors. Zo nu en dan veerden ze op, vooral in het betoverende liedje Two weeks dat bijna alle memorabele zanglijnen van het hele repertoire in zich op lijkt te hebben gezogen.

Een groep die haar muziek zo dodelijk saai brengt, zou gediend zijn met visuele hulpmiddelen als een spannende lichtshow of bewegende vloeistofprojecties. Dan zou het oprecht geïnteresseerde publiek er even religieus in op kunnen gaan als gisteren, en hoefden al die mensen achterin niet zo hartstochtelijk te kwebbelen om de verveling te verdrijven.