Voorloper van de Muur was de Draad

De Berlijnse Muur was niet de eerste ‘dodelijke grens’. In de Eerste Wereldoorlog was er al een geëlektrificeerde dodelijke grens tussen België en Nederland.

Een van de spectaculairste aspecten van de voormalige DDR was dat de grens naar het Westen soms bewaakt werd met automatisch afgaande wapens. Dat was echter geen communistische uitvinding. Al tientallen jaren eerder paste het Duitse Keizerrijk in België vergelijkbare methoden toe. Tijdens de Eerste Wereldoorlog had Duitsland last van vluchtende Vlamingen en deserteurs, zodat er langs de grens met Zeeuws-Vlaanderen een hoogspanningsdraad werd aangebracht. Meer dan vijfhonderd mensen vonden daar in een paar jaar tijd de dood.

Vreemd genoeg zijn er maar weinig getuigenissen van deze voorloper van de Oost-Duitse zelfmoordinstallaties. Een uitzondering zijn de memoires van de voormalige grenscommies Anton Mulder, mijn grootvader. In zijn pension in het grensplaatsje Koewacht hoefde hij, zo schrijft hij, zijn hand maar uit het raam te steken om zich „wanneer ik althans daar lust in had, door de stroom van de electrische draad van het leven [te] beroven.” Maar, gaat hij verder, „dit deed ik natuurlijk niet, daar was mijn leven veel te avontuurlijk voor.” Dat mag je gerust een understatement noemen. Vooral wanneer Anton in 1917 gedetacheerd wordt in het dorpje Sint Jansteen, lijkt hij zo in het Wilde Westen te zijn beland. Er is net een ‘grote schoonmaak’ gehouden onder ambtenaren ‘die de verleiding niet konden weerstaan om de smokkelaars bij hun lugubere arbeid te helpen’ en mijn grootvader popelt om de orde te herstellen. Zo heeft hij de gewoonte om arrestanten met een soort schriktherapie in beweging te brengen. „Als regel lieten wij hen op de grond zitten met de armen omhoog en wanneer dat niet vlug genoeg ging, …knalden wij met wat karabijnschoten over hun hoofden en voor het fluiten van de kogels kregen zij in de regel wel respect.” Aan veel grenspalen heeft mijn opa herinneringen. Zo levert hij in de zomer van 1918 tussen de palen 283 en 284 ‘een volledige veldslag’ met veertig smokkelaars. Nadat hij snel de nodige versterking heeft laten aanrukken, knallen de karabijnschoten. „Gierend vlogen ze over onze hoofden, en het geroep ‘halt, douane’ was niet van de lucht.”

Wonder boven wonder vielen er die nacht slechts twee gewonden onder de smokkelaars, die samen met 14 andere arrestanten werden ingesloten. Maar er waren ook doden. Niet door de douane, maar door de ‘draad’. De smokkelaars hadden gedacht dat de Duitse wachtcommandant, aan de andere kant van de grens, ook in het complot betrokken was en dat hij daarom de stroom wel even had afgezet.

Vier keer heeft mijn grootvader zelf gezien dat er iemand tegen de draad liep. „Bij nacht zag men een blauwe flikkering, en daarmee was weer een leven heengegaan”, schrijft hij. Toen op 11 november 1918 de wapenstilstand werd getekend, duurde het niet lang of de dodelijke afrastering was in één keer weg. Volgens mijn grootvader had iemand hem gestolen. Belgische soldaten kwamen de grens afzetten en hun militaire autoriteiten eisten op hoge toon de teruggave van de installatie: ‘als oorlogsbuit’. Dat leidde tot niets. De Belgen waren boos, en de Nederlandse douane kreeg opdracht weg te blijven bij de grens.

„De smokkelaars”, schrijft mijn grootvader ten slotte met enige spijt, „hadden nu vrijspel…”

Zie ook weblog www.reinjanmulder.nl