Verhagen handelt Gaza-rapport goed af

Ook minister Verhagen wil straffeloosheid tegengaan, vergist u zich niet. De kunst is dat zo te doen dat vrede wordt bespoedigd, zegt Willem van Genugten.

Dries van Agt en het Midden-Oosten vormen een bekende combinatie, waarbij de oud-premier niet nalaat op drie trommels tegelijk te slaan: de rechten van de Palestijnen, de naleving van het internationale recht en de opstelling van CDA-minister Verhagen. In ‘Ook Nederland moet Israël veroordelen’ (Opiniepagina, 3 november) leidt dit tot een betoog waarin de verontwaardiging het wint van de ratio.

„Laten we wel wezen”, aldus Van Agt, „het VN-debat gaat dan in formele zin over het rapport-Goldstone, in wezen gaat het over de ruim 1.400 mensen die in december en januari zijn gedood, voor 99 procent Palestijnen”, alsmede over „de kernboodschap van de commissie-Goldstone: dat er een einde moet komen aan de straffeloosheid om oorlogsmisdaden te begaan”.

Daar zit wat in. Vervolgens echter lijkt Van Agt te zeggen dat het rapport alle feiten al panklaar opdient voor het Internationaal Strafhof en dat de internationale gemeenschap geen knip voor haar neus waard is als ze niet stante pede in actie komt.

Het rapport-Goldstone zegt zelf echter dat het niet pretendeert bewijzen te leveren die voldoen aan de eisen van het strafrecht. In het rapport staat verder dat de VN-Veiligheidsraad Israël en Hamas zou moeten opdragen om binnen een termijn van zes maanden zelf onderzoek in te stellen naar de beweerde schendingen. Bovendien moet er een comité van onafhankelijke experts komen dat toeziet op de kwaliteit van het onderzoek door beide partijen. En als blijkt dat dat onderzoek niet te goeder trouw is gedaan, wordt de zaak doorverwezen naar het Internationaal Strafhof.

In haar Kamerbrief over het rapport steunt de regering dergelijk onderzoek. Maar waar wringt dan de schoen, kan men zich afvragen. Waarom stemt de regering niet gewoon vóór het rapport? Antwoord: de Nederlandse regering vindt dat de discussie over het rapport eerst en vooral in de Mensenrechtenraad moet plaatsvinden. Pas in een volgende fase moet de vraag aan de orde komen of de zaak hoger moet worden opgespeeld in de VN-rangorde.

Die lijn deel ik voluit, ook al omdat ze spoort met het internationaal erkende beginsel van de complementariteit, verwoord in het Statuut van het Strafhof. Dat beginsel komt erop neer dat het Hof pas in actie mag komen als staten onwillig of onbekwaam zijn om zelf strafvervolging in te stellen. Minister Verhagen heeft ook steeds benadrukt dat onderzoek nodig is en dat geen land boven de wet staat als het gaat om straffeloosheid, ook Israël niet. Het verschil van inzicht tussen Van Agt en zijn partijgenoot Verhagen zit hem dan ook niet in het punt van het tegengaan van straffeloosheid, maar in de vraag wat de beste aanpak daarvan is.

Daar kan uiteraard verschillend over worden gedacht. Maar om nou te zeggen – zoals Van Agt in zijn stuk doet – dat het „absurd is te menen dat het opsporen van (oorlogs)misdaden en het vervolgen van de plegers ervan vrede zouden belemmeren”? Aangenomen dat Van Agt c.s. vindt dat eventuele vervolging ook de politiek verantwoordelijken moet omvatten, is duidelijk dat een dergelijke, van buitenaf opgelegde actie het vredesproces wel degelijk zal belemmeren. Van Agt zou mij kunnen tegenwerpen dat de afgelopen zestien jaren, sinds ‘Oslo’, sowieso weinig hebben opgeleverd en dat er dus „niets valt te belemmeren”, maar dat lijkt me al te cynisch.

Eind september vond in de Tweede Kamer een debat plaats over het rapport-Goldstone. Dat leidde tot het indienen van acht moties. Eén daarvan, afkomstig van Kamerlid Van Dam (PvdA), stelde dat de regering in de Mensenrechtenraad alle partijen moet wijzen op hun plicht om de beschuldigingen binnen een half jaar te onderzoeken en de verantwoordelijken te vervolgen, waarna de Mensenrechtenraad stappen kan ondernemen als blijkt dat dit niet naar behoren is gedaan.

De motie werd aangenomen door een zeer grote Kamermeerderheid, waardoor zich brede steun aftekende voor het beleid van minister Verhagen. En dat beleid getuigt naar mijn smaak van zowel verstandig opereren als een juridisch correcte lijn in een dossier dat kan worden aangemerkt als een regelrecht mijnenveld.

De lijn die Van Agt c.s. daarentegen kiest lijkt mij de kortste weg naar het ontsteken van een nieuwe lont, in een tijd waarin voorzichtige pogingen worden gedaan om de vredesbesprekingen weer op gang te brengen.

Willem van Genugten is hoogleraar internationaal recht aan de Universiteit van Tilburg en voorzitter van de Commissie voor de Rechten van de Mens van de Adviesraad Internationale Vraagstukken.

Het opiniestuk van Van Agt e.a. staat op nrc.nl/opinie.