Over toen wordt ons weinig geleerd

Voor Moritz Harms is ‘Ossi’ of ‘Wessi’ zijn zoiets als Hamburger of Beier zijn.

Maar de vraag hoe het was vóór 1989 is wel degelijk belangrijk voor ‘Ossi’s’.

Het is vandaag twintig jaar geleden dat de Muur, die Oost- en West-Duitsland scheidde, viel. Sindsdien groeide er een nieuwe generatie Duitsers op: jong, zelfbewust – en vrij. Maar voelen ze zich Duitser? Of toch een Wessi of Ossi? Hoe wordt er thuis over ‘vroeger’ gesproken, over de tijd dat hun ouders in een wezenlijk ander land woonden dan zij nu? En wat weten ze over het verleden van hun land?

nrc.next sprak met vier jonge Duitsers: Moritz Harms (17), Benjamin Jähn (19), Jacob Schrot (19) en Antonia Wünschmann (17). Ze wonen in Brandenburg aan de Havel, een stad iets ten westen van Berlijn. Ze groeiden op in de voormalige DDR, waar de sfeer nog steeds anders is dan in het westen. Waar pas twintig jaar democratie heerst. En waar de verwerking van het dictatoriale verleden geen theorie is, maar moeizame praktijk.

Is voor jongeren in Oost-Duitsland hun ‘oostelijke’ identiteit belangrijk? Voelen ze zich Ossi, zowel scheldwoord als geuzennaam voor een bewoner uit de voormalige DDR? Benjamin Jähn zegt na enige aarzeling dat hij ‘Duitser’ is. Maar, voegt hij eraan toe, „Die vraag is voor Oost-Duitse jongeren wel degelijk belangrijk. Veel kennissen van me lopen er nog steeds mee te koop. Ik ben Ossi, zeggen die trots.” Voor Moritz Harms is „Ossi of Wessi zoiets als Hamburger of Beier. Ik voel me gewoon Duitser”, zegt hij. Antonia Wünschmann denkt er net zo over. Ze ziet nog wel verschillen op straat. „De kleding is bij veel ouderen in het oosten anders dan in het westen. Maar bij jongeren niet, die willen er gewoon allemaal leuk uitzien.”

Het gesprek vindt plaats in het Brandenburgse Von Saldern Gymnasium, de school van Moritz en Antonia, in aanwezigheid van rector Hanswalter Werner. Benjamin heeft al eindexamen gedaan en is bezig met zijn vervangende dienstplicht. Jacob studeert politicologie en werd afgelopen zomer uitgeroepen tot winnaar van de politieke tv-show Ich kann Kanzler: ik kan bondskanselier zijn. Met hem spraken we afzonderlijk.

De gymnasiasten behoren tot de elite die zich weet te roeren – die goed opgeleid, welbespraakt en in die zin wellicht niet representatief is. Maar de vreedzame revolutie van november 1989 en wat daaraan vooraf ging, heeft op hen een onverwachte uitwerking. Ze willen er veel meer over weten. Ze hongeren naar kennis over ‘toen’.

Moritz, Benjamin en Antonia zijn deelnemers van een buitenschoolse activiteit: leren over de DDR. Je zou het een soort bijles kunnen noemen. De les is niet verplicht. Sterker nog: hij staat helemaal niet op het rooster. En het loopt geen storm. Maar degenen die zich ervoor opgeven, volgen de lessen met grote aandacht. Er wordt van alles in behandeld: van het dagelijks leven en de gevolgen van de communistische dictatuur tot de jeugdbeweging, het leger en de popmuziek in de DDR.

Want de honger naar vroeger wordt tijdens de reguliere lessen nauwelijks gestild. De DDR wordt in de geschiedenislessen pas in de tiende klas, als ze zestien jaar zijn, even behandeld, vertelt Benjamin. Die lessen zijn niet geliefd, ook niet onder docenten. Moritz zegt het zo: „De leraren zijn te veel met hun eigen verleden bezig om het onbevooroordeeld aan ons te kunnen vertellen.” De rector: „Dat kan kloppen. De docenten geschiedenis zijn vrijwel allemaal vijftigers, die in Oost-Duitsland zijn geboren en getogen. Ze hebben als jonge leerkrachten in de DDR gewoon gefunctioneerd en kregen later, na de systeemwisseling, problemen met de verwerking van hun achtergrond. Bij een aantal is de nieuwe tijd nog niet aangekomen.” Als leidinggevende vindt hij dat „moeilijk en spannend tegelijk”. Maar, zegt hij, „Ik heb makkelijk praten, ik kom uit het westen”.

Het oordeel van Jacob Schrot over wat hij op school heeft geleerd is harder dan dat van zijn voormalige schoolgenoten. Zijn belangrijkste klacht is dat de lessen over de DDR niet concreet zijn, en bovendien gaan over het globale en weinig specifieke Oost-Westconflict. „De onwetendheid onder jongeren is enorm over hoe het werkelijk toeging. Over wat dictatuur en onvrijheid betekenden.” Jacob Schrot heeft „veel, heel veel”, over de Tweede Wereldoorlog moeten leren, „en haast niets” over de DDR. „Het had voor mij best wat meer in evenwicht mogen zijn.” Dat onbenul over het eigen verleden leidt volgens hem tot het bagatelliseren van misstanden in de DDR. En tot stijgende populariteit bij jongeren van Die Linke, de uiterst linkse politieke partij die (mede) voortkomt uit de communistische eenheidspartij van de DDR.

„Voor een buitenstaander klinkt het misschien raar dat in de voormalige DDR op school zo weinig aandacht aan het eigen verleden wordt besteed. Maar laten we het eens omdraaien. Volgens mij is de kennis bij scholieren in het westen van Duitsland over het oosten ook niet erg groot”, zegt Moritz. Dat blijkt ook uit een onderzoek van de Berlijnse hoogleraar Klaus Schroeder. Hij concludeerde vorig jaar dat 64 procent van de scholieren in het westen van Duitsland en 71 procent in het oosten vindt dat het onderwerp DDR „te weinig” of „helemaal niet” in het onderwijs voorkomt. Veel scholieren denken dat Willy Brandt en Konrad Adenauer Oost-Duitse politici waren. En dat onder DDR-dictator Erich Honecker vrije verkiezingen mogelijk waren.

Horen ze thuis dan over vroeger? Antonia hoort thuis „weinig”. Ze woont bij haar moeder. In veel gezinnen, weet ze, „wordt helemaal niet over het verleden gesproken”. Benjamin praat er weleens met zijn ouders over: „Ze zeggen dat er ook goede dingen waren. Het is niet zwart-wit. Zo was er bijvoorbeeld werk voor iedereen.” Moritz reageert: „Er was veel verborgen werkloosheid. Het probleem is: als iets goed was in de DDR moet je je meteen afvragen: waarom was het goed? De sport, bijvoorbeeld, was uitstekend en een topprioriteit. Maar dat kwam doordat het een uithangbord voor het communisme was.” Hij vindt dat de belangrijkste taak voor voorlichting over de DDR bij de scholen ligt. „Als het thuis niet gebeurt, moet het onderwijs het overnemen”. En ja, beaamt hij, zoveel mag nu wel duidelijk zijn: dat gebeurt volgens hem in onvoldoende mate.

Het gesprek met Jacob Schrot vindt plaats op 30 september. Op die dag precies twintig haar geleden hoorden duizenden DDR-vluchtelingen in de West-Duitse ambassades in Praag en Warschau dat ze naar het westen mochten uitreizen; het begin van het einde van het DDR-regime. „Ik wil wedden”, zegt Jacob, „dat niet één jongere die we hier in Brandenburg op straat aanspreken, notie heeft van deze historische dag”.

We nemen later de proef op de som en vragen acht willekeurige jongeren ernaar. Jacob blijkt gelijk te hebben. Geen van hen kent de betekenis van 30 september 1989.