Laatste busreis

‘Neem even binnen een kijkje, zoiets heeft u nog nooit gezien.”

Woorden die we van de kermis kenden, maar met zoveel charmante overtuigingskracht uitgesproken dat we toch even bleven staan. Het was op een zaterdagmiddag in Eindhoven. Aan de rand van het winkelcentrum stond een keurige man van in de veertig voor een nogal vierkant uitziende vervoersbus, grijs en donkerrood gekleurd. Wat was er zo bijzonder aan een bus, vroegen wij.

„Het is een uitvaartbus”, zei hij trots.

Ik stapte met enkele familieleden naar binnen. We waren van een leeftijd waarop de uitvaartbus een vanzelfsprekender vervoermiddel wordt dan de kinderwagen, en toch hadden we er nog nooit van gehoord.

Verbaasd keken we om ons heen. In het midden stond een ruwhouten doodskist op een plateau. Verder bestond het interieur uit stemmig bruine leren banken. De man bleek de eigenaar zelf te zijn en Mark van der Poel te heten. Op elke vraag ging hij enthousiast in.

Wilden we zien hoe de kist de bus verliet? Hij trok en duwde even en de kist draaide op zijn zwenkbare plateau naar de uitgang. Prachtig, maar voor wie waren al die leren banken bestemd? „Voor de familie en de vrienden”, lachte hij.

Zestien mensen konden mee. Ze stapten bij het sterfhuis of het uitvaartcentrum in en reden met de kist tussen hen in naar de begraafplaats. Je zou vermoeden dat het een droeve, stille reis werd, maar de praktijk was vaak anders. Het hing van de omstandigheden rond het sterfgeval af. Pas nog had hij een man van 26 jaar moeten wegbrengen die jaren tegen kanker had gestreden. Zijn vrienden hadden de muziek keihard gezet, maar de sfeer bleef bedrukt.

Het kwam ook voor dat de nabestaanden met een drankje de gestorvene op een losse manier uitluidden. Dan werd er in de bus druk gepraat, gehuild én gelachen. Ja, waarom ook niet, als de dode op een rustige, waardige manier het leven had kunnen afsluiten, alsof God hem had gevraagd: „Was alles naar wens?”

Veel mensen vonden zo’n dode maar eng, ze wilden er zo snel mogelijk vanaf – zijn klanten niet.

De eigenaar raakte in een lichte vervoering terwijl hij ons de voordelen van zijn bus schetste. Als jongen was hij al in de ban van het begrafenisvervoer geraakt. Tien jaar was hij toen zijn vader overleed en nóg herinnerde hij zich de kilheid van die begrafenis. Zijn vader werd in een auto geschoven en de familie hobbelde er in eigen auto’s achteraan.

Kon het niet wat minder afstandelijk? Hij had het funeraire vervoer in andere landen bestudeerd. In Amerika en Frankrijk zag hij bussen voor de dragers, maar nergens voor de nabestaanden. Vreemd. Het liet hem niet los. Hij verdiende zijn brood met iets heel anders – orkestslagwerker na een opleiding aan het conservatorium – maar hij besloot zich op de uitwerking van zijn eigen idee te storten: een uitvaartbus waarmee hij vanuit zijn woonplaats Deventer het hele land kon bestrijken.

Zeven jaar geleden begon hij ermee en hij kreeg het steeds drukker. Hij had maar één concurrent, een bedrijf in Rotterdam.

Ik liep weer door zijn bus. Wilde ik hierin naar mijn laatste rustplaats rijden? Ik keek ook nog eens goed naar mijn familieleden. Ach, waarom ook niet, het leek me best gezellig.