Het geleefde moment

Dagboeken zijn een wonderlijk genre. Je weet nooit precies wat het is dat je te lezen krijgt, minder nog bijna dan bij een roman of een essay, omdat de afspraken voor dagboeken zo weinig vaststaan. Het idee dat iemand het helemaal voor zichzelf schrijft, is maar heel beperkt waar, menig dagboekschrijver hield wel degelijk het dagboek bij met publiek in het hoofd, hoe privé de aantekeningen ook lijken. Anne Frank bijvoorbeeld heeft haar eigen dagboeken flink bewerkt. Allerlei dingen die ze naderhand te kinderachtig vond, schrapte ze en ze richtte bij de bewerking de brieven in plaats van aan verschillende vriendinnen van Joop ter Heul, zoals ze aanvankelijk deed, allemaal aan ‘Kitty’ en bewerkte het geheel ook stilistisch. Toch is haar dagboek heel intiem en persoonlijk. Maar het was zeker niet alleen ‘voor zichzelf’, ze wilde immers schrijfster worden en het idee van een ‘lezer’ speelde mee.

Dat is natuurlijk vaak zo met een dagboek, ook als er geen sprake is van enige reële lezer. Er is de eigen, geïnternaliseerde of verzonnen lezer, niet steeds per se dezelfde, die toch de vorm en de toon van het geschrevene beïnvloedt.

Het feit dat iemand zichzelf over zijn of haar eigen leven vertelt, zegt al wat. Het geeft blijk van een bepaalde instelling, een distantie tot het eigen beleven, voelen en denken. Die afstand kan de (dagboek)schrijver ook in de weg zitten.

„Men beleeft het moment, maar het wordt direct een bewuste beleving, een geformuleerde beleving; beleven en distantiëring gaan onafscheidelijk samen, als gevoel en objectivering van het gevoel. (...) „Dat er dan wel eens hunkering is naar het echt geleefde moment, naar het ongeobjectiveerde, naar het volkomen in-het-moment zijn en de overgave daaraan (…) is begrijpelijk”, schrijft de 26-jarige C.O. Jellema treffend in zijn dagboek. Zijn dagboeken werden onlangs gepubliceerd, onder de titel Een web van dromen. Dagboeken 1960-2003.

Hij schrijft, schrijft hij zelf, zijn dagboek omdat hij het gevoel heeft dat het leven hem zonder die beschouwing door de vingers glipt, hij heeft de ‘geformuleerde beleving’ nodig. Later zal zijn poëzie steeds meer die rol krijgen, van een verbinding tussen woord en beleving, of sterker nog: van ervaring dóór of dankzij de formulering.

Want zo is het: het gedicht geeft de ervaring niet weer, hij schept haar. Zowel voor de dichter als voor de lezer.

Niet omdat er ‘niets’ is zonder woorden, integendeel. „Dat woorden nooit vervangen wat ontbreekt; / een onverdeeld er zijn”, schreef Jellema in een van zijn gedichten. Maar het vormeloos ervarene bestaat op een andere manier dan wat gevormd, geformuleerd, gedicht zelfs, is. Het is ongrijpbaarder en daardoor soms bijna niet aanwezig.

In die zin zijn dagboeken dus inderdaad heel intiem, zeker als het om een denkend en voelend soort dagboek gaat, wat iets anders is dan een persoonlijke kroniek, zoals je die bijvoorbeeld van een politicus te lezen krijgt. Het dagboek van Jellema is, net als het dagboek van Anne Frank of dat van Etty Hillesum, het dagboek van de ontwikkeling van een geest, een persoonlijkheid, een denkend en voelend wezen dat probeert greep te krijgen op het eigen innerlijk en de eigen persoon. De gebeurtenissen in de wereld spelen wel een rol, maar op de achtergrond, het gaat om de zelf-beleefde wereld. Daar komen dan, bij een oprecht voelend ik, altijd gedachten en overwegingen uit voort waar anderen ook iets aan hebben. Het allerpersoonlijkste is nooit ontoegankelijk, mits precies geformuleerd, het zijn juist eerder de feiten van een leven waar je moeilijk bij komt.

Jellema is zich dat zeer bewust – een opsomming van de dingen die hij deed met een man op wie hij dodelijk verliefd was, zegt niet veel over zijn gevoelens, verzucht hij. Zoiets is voor ons lezers evenmin erg interessant, zijn beschouwingen over zichzelf zijn dat wel.

En de tijd waarin een dagboek geschreven werd speelt altijd mee, zelfs als het enige wat we over de buitenwereld te horen krijgen overwegingen zijn over de ‘nieuwe poëzie’ zoals die in de jaren zestig rond het tijdschrift Gard Sivik gepropageerd werd. Jellema moest er niets van hebben.

Wat in dit geval sterk speelt, is de houding van de maatschappij tegenover homoseksualiteit. Jellema wist al jong dat hij ‘anders’ was en hij vindt er niets afkeurenswaardigs aan, maar ziet het wel als een enorm probleem. En dat heeft veel te maken met wat de maatschappij verwacht. In die tijd was het nog vrij gewoon om homoseksualiteit als een ziekte te beschouwen die wellicht genezen kon worden. Het was beslist geen geaccepteerde manier van leven.

Hoe sterk zo’n maatschappelijk oordeel ingrijpt in het leven van een individu kun je hier maar weer eens al te goed zien. De wanhopige pogingen om toch in ieder geval een ‘normaal’ leven te leiden, de twee verlovingen met een meisje in de hoop dat het mogelijk zal blijken om te leven zoals de anderen, zijn aangrijpend en tot mislukken gedoemd.

Nu het minderhedendebat weer hevig woedt, en de vraag om aanpassing en integratie steeds harder opklinkt, is het wel weer eens extra goed om te lezen, en mee te voelen, wat een maatschappelijke afwijzing betekent voor een mens. Hoe on-thuis men zich in de wereld kan voelen als je innigste overtuigingen en gevoelens niet goedgekeurd worden.

Dit dagboek heeft niets pamflettistisch hoor, het is alleen maar heel sensitief overwegend. Maar zulke gevoeligheid laat de lezer ook altijd weer extra voelen. En dat kan geen kwaad.

Wilt u kunt reageren? Dat kan op nrc.nl/vos