Een beschuitje met okkernootjes en prikkeldraad

Vooral jongens onderwerpen elkaar aan pijntesten. Testen met mooie namen.

Tijdens een literaire bijeenkomst in Amsterdam heeft de schrijver Thomas Verbogt mij vorige week tot twee keer toe hard in mijn kin geknepen. Ik zal uitleggen waarom. Verbogt kan niet alleen erg mooi schrijven, hij is ook een begenadigd spreker. Tot zijn handelsmerk behoren lange, snel uitgesproken uitweidingen die vaak niks met het onderwerp te maken hebben, maar die zijn voordrachten juist erg geestig en onderhoudend maken.

Vorige week sprak Verbogt, op een bijeenkomst naar aanleiding van het verschijnen van het eerste deel van de biografie van Gerard Reve, over zijn ervaringen met het lezen van De Avonden. Verbogt had dit boek op zijn dertiende voor het eerst gelezen, toen er – uitweiding – een oom bij hen thuis logeerde, een joviale man die de jonge Thomas af en toe een beschuitje gaf.

Verbogt deed voor wat hij daarmee bedoelde. Op het spreekgestoelte kneep hij zichzelf in zijn kin of wang – ik kon het niet goed zien – waarna hij zijn hoofd heen en weer schudde.

In de pauze sprak ik Verbogt hierover aan. Had hij inderdaad beschuitje gezegd – Verbogt spreekt soms érg snel – en wat was dit nou precies? Waarna de schrijver mij voor het eerst in de kin kneep. Later, toen we weer moesten gaan zitten, kwam hij er nog even op terug. Hoe de kneep nou precies ging wist hij niet meer, maar ongeveer zó – hij kneep me andermaal in mijn kin en schudde mijn hoofd heen en neer. Het deed pijn, herinnerde Verbogt zich.

Het is opvallend hoeveel joviale ooms er in de wereld zijn. Je hoort of leest weleens over wilde of onaangepaste tantes, maar vreemde, boertige of al te joviale ooms zijn toch duidelijk in de meerderheid. Ik had nog nooit van het uitdelen van beschuitjes gehoord – alle aanvullende informatie hierover is welkom – maar het lijkt mij een typisch jongensding. Jongens stoeien niet alleen, een lichamelijke krachtmeting die een duidelijke sociale functie heeft (wie is hier de baas?), zij onderwerpen elkaar ook aan kleine pijntesten, waarvoor diverse namen bestaan. Zo is het onder jongens niet ongewoon om elkaar prikkeldraad te bezorgen – een wringende beweging met twee dicht bij elkaar geplaatste handen, meestal op de onderarm. Populair is ook de okkernoot – een korte, harde slag met de knokkels van je vuist op iemands hoofd.

Bij een variant hiervan – de naam is mij onbekend – sla je je arm om iemands nek en trek je zijn hoofd naar je toe, waarna je hard met de knokkels van je vrije hand over zijn schedel ritst – iets wat ik hier thuis puberjongens nog met regelmaat zie doen. Altijd jongens, nooit meisjes, hoewel die soms wel prikkeldraad uitdelen.

Nog eentje: het ijsbeentje, ook wel de paardenkus genoemd: je stoot je knie opzettelijk in het bovenbeen van je vriend. Inderdaad, van je vriend – want dit zijn allemaal spelletjes, hoewel ze stuk voor stuk flink pijn kunnen doen. Populair onder joviale ooms, zoals die van Thomas Verbogt: „Hé wat zit daar?” (vinger wijst op borsthoogte). Slachtoffer kijkt recht naar beneden, waarna oom hem met uitgestrekte vinger net te hard onder de neus tikt. Vreemde jongens, die jongens.

Is ‘beschuitje’ voor zo’n kingreep een algemeen bekend woord? Wie kent nog andere woorden voor dergelijke jongenspesterijtjes? Reacties naar sanders@nrc.nl Ruim 200 lezers reageerden op de vraag over ‘buk- en moekerig weer’. Meer hierover aanstaande woensdag op de website.