De wonderjaren

Ik had erbij willen zijn, in 1989 of liever vroeger, maar ik leef niet in The Matrix en kan niet over de muren van de tijd klimmen. Ik adem de zware West-Europese stadslucht in, zo diep in dat ik even grijs kleur als de lucht, even grijs als de modekleur van vorige herfst bij H&M.

Ik ben een Oost-Berlijnertje, droom ik op momenten als deze, ik was erbij, in 1989. Ik liep tussen duizenden mensen, we droegen rode schoenen en zongen: ‘Wij zijn het volk’. Aan de andere kant van de muur verwelkomden lachende soldaten ons, gewapend met bananen. Ik at mijn eerste banaan en vond er niets aan. Kleverig papje zonder sap.

Ik droom mezelf in het Berlijn van voor 1989. Ik reed rond in mijn onverslijtbaar Trabantje van gebakken katoenvezels waarvoor ik honderden papieren had ingevuld en van administratie naar onderadministratie naar hulponderadministratie was gehold. Als je voor iets moet vechten, stijgt de waarde. Haal je je slag thuis, dan kan je al eens een fles Rottkäpchenschuimwijn bovenhalen op een heuse undergroundpunkfuif. Daar preekten wij de revolutie, geweldloos en met veel pluchen cavia’s en veiligheidsspelden omdat die zo mooi waren in onze wangen.

Ja, ik herdenk wat ik nooit gekend heb en toch mis, een beetje zoals ik Elvis wel eens mis.

O dat blokje Oost van Erich Honecker, jij gaf de mensen tenminste iets om te bevechten. Waartegen moeten mijn kameraden en ik nu zijn? Een brokje muur in een sleutelhanger is alles wat ons nog rest. Het Oost-Europese paradijsje van eenvoud en gelijkheid is ontmanteld en opgeslorpt. Alles is nu westers. De muur is weg, en met haar verloren wij onze hoop op een vrijere wereld.

Iedere muur wordt genadeloos gesloopt. Mensen verdragen geen muren, behalve als ze Belg zijn en eigenhandig hun derde tuinhuis aan het metselen zijn. Diplomatietechnieken, revoluties en dynamiet, zij hebben hetzelfde doel: muren neerhalen.

Zodra ze ommuurd zijn, willen mensen vluchten. Zo ook Winfried Freudenberg. Winfried had een droom en gaf die vorm als luchtballon. In West-Duitsland zag een wandelaar een nachtelijke, overijverige ballonvaarder, die te veel gas in zijn ballon had gedaan en bijna ter hoogte van de sterren zweefde. Toen Winfrieds ballon weer naar het Oosten dreigde af te drijven, sprong hij, op tweehonderd meter van de grens. Om te eindigen in een boom. Dood in een westerse, grijze boom. Had hij een paar maanden gewacht, was hij iets minder moedig geweest, dan had hij de grens kunnen oversteken en bananen kunnen eten.