Amerikaanse economie herstelt zonder nieuwe banen te creëren

De stijgende productiviteit zou goed moeten zijn voor de Amerikaanse economie, maar kan ook wel eens duiden op nog meer banenverlies.

De werkloosheid steeg in oktober naar 10,2 procent, ondanks een groeiende economie. De productiviteit explodeerde in het derde kwartaal met 9,5 procent op jaarbasis. Dat is niet ongewoon tijdens perioden van economisch hestel, maar het begon vroeg – toen het bruto binnenlands product nog steeds afnam – en zou kunnen aanhouden. Als dat zo is, kon de werkgelegenheid wel eens laag blijven en de werkloosheid een record bereiken, waardoor banken worden verzwakt en de lonen onder druk komen te staan.

Productiviteitsgroei is normaal gesproken goed nieuws. Het zorgt ervoor dat meer goederen en diensten kunnen worden geproduceerd met minder arbeid. Maar de productiviteitsstijging die gebruikelijk is tijdens de eerste fasen van economisch herstel vormt doorgaans een weerspiegeling van het feit dat fabrikanten en aanbieders van diensten de productie verhogen zonder meer personeel in te huren. Het gevolg is dat de werkloosheid blijft stijgen, ook al herstelt de productie zich.

Ditmaal begon de snelle productiviteitsgroei zelfs al vóór de hervatting van de economische groei, met 6,9 procent op jaarbasis in het tweede kwartaal. Een factor die daaraan kan hebben bijgedragen, is de ultralage rente in de wereld, die de vervanging van arbeid door kapitaal bevordert, evenals de verplaatsing van de productie naar markten waar het kapitaalkostennadeel tijdelijk niet aan de orde is.

Als de snelle productiviteitsgroei, die dus vroeger dan gebruikelijk is begonnen, ook langer aanhoudt dan doorgaans het geval is, zou zelfs aanhoudende economische groei kunnen samengaan met een verdere stijging van de werkloosheid. We zijn niet meer zo ver verwijderd van onbekend terrein: het naoorlogse werkloosheidsrecord van 10,8 procent werd genoteerd in november 1982. De recente recessie heeft al 7,3 miljoen banen gekost, veel meer dan enige andere sinds de jaren dertig.

Wat de mogelijke gevolgen voor consumentenbanken betreft, het ‘slechtst mogelijke’ werkloosheidspercentage waarmee rekening werd gehouden bij de stresstests voor Amerikaanse banken eerder dit jaar was 10,5 procent. Het is waar dat de huizenprijzen zich lijken te hebben gestabiliseerd op een hoger niveau dan verwacht. Maar een naoorlogse recordwerkloosheid zou tot verdere bankverliezen leiden, met name in de sfeer van de creditcards, waardoor een herstel in de banksector wordt vertraagd of misschien zelfs ongedaan wordt gemaakt.

Ondanks allerlei moderne veiligheidsnetten zou een lange periode van dubbelcijferige werkloosheid ook neerwaartse druk uitoefenen op de reële lonen, waardoor de Amerikaanse levensstandaard, vooral voor fabrieksarbeiders, achteruit zal gaan. Het soort productiviteitsgroei dat ervoor zorgt dat de economie wel herstelt, maar er geen banen bijkomen, is niet zo welkom als het lijkt.

Martin Hutchinson