Zomertarwe voor winterse vogels

Laat ’s winters wat graan op de akker staan en de akkervogels bloeien op. Koos Dijksterhuis

Op de hamsterakker bij ’t Rooth komen weinig hamsters maar des te meer vogels. Er staat zomertarwe, korrelmaïs, bladrammenas en luzerne. Een telling leert dat op deze decemberdag 389 geelgorzen op de korrels op de hamsterakker zijn afgekomen. En 165 ringmussen, 341 kneuen, 182 groenlingen, 27 veldleeuweriken en, echt waar: 4.600 houtduiven...

De akker is de oudste van zeven hamsterreservaten in Zuid-Limburg, samen 115 hectare. Vinken bevolken een paar boompjes, kneuen en groenlingen zwermen rond. Later in de winter worden tarweveldjes ook voor kepen onweerstaanbaar, vinkachtigen uit Scandinavië. Rietgorzen druppelen nog later binnen: vanaf februari.

De hamsterakkers zijn een uitzondering. Het platteland wordt de laatste jaren zo intensief bewerkt, dat er voor akkervogels nauwelijks nog plaats is, laat staan dat er veel te eten is. De veldleeuwerik, in 1970 nog in de top-10 van Nederlands talrijkste broedvogels, is weggevaagd. De patrijs en de grauwe gors ondergingen hetzelfde lot. Van de 72 soorten van bedreigde vogels op de Rode Lijst, zijn 47 afhankelijk van het boerenland. Toch blijken akkervogels met eenvoudige maatregelen te redden: brede akkerranden en graan in de winter.

RINGMUSSEN

De Werkgroep Grauwe Kiekendief onderzoekt en bevordert die maatregelen. De Werkgroep werd in 1990 opgericht om grauwe kiekendieven te beschermen, toen die sierlijke roofvogels in akkers bleken te broeden. Inmiddels gaat het om veel meer akkervogels. “In Oost-Groningen en Drenthe telden we vorige winter op dertig tarweveldjes van een hectare een maximum van tweeduizend geelgorzen en evenveel ringmussen”, vertelt Ben Koks van de Werkgroep.

De Werkgroep werkt samen met de Rijksuniversiteit Groningen in het onderzoek naar de resultaten van maatregelen voor akkervogels. Afhankelijk van de bodem en de gewassen, hebben broedpopulaties akkervogels 5 tot 8 procent van het akkerland nodig, blijkt uit dat onderzoek.

Maar ruimte in de zomer is één ding”, vervolgt Koks. “Vogels hebben ook ’s winters veiligheid en voedsel nodig. Als op anderhalf, twee procent van het land graan blijft staan, hebben die vogels te eten tot in het voorjaar opnieuw graan wordt gezaaid. Als er minder graan blijft staan, lopen de vogels het risico in de loop van de winter alsnog de hond in de pot te vinden, omdat alles op is.” Ook tussen de bieten- en aardappelvelden kan zo’n tarweveldje wonderen doen voor vogels.

ZAADMENGSEL

Ook helpt het als boeren de randen van hun akker braak laten liggen. De randen moeten minimaal negen meter breed zijn, en ingezaaid worden met diverse soorten kruiden en grassen. Koks: “Na bijna twintig jaar experimenteren weten we heel aardig waarmee je die randen moet inzaaien.” Het zaadmengsel hangt af van de bodem en de vogelsoorten. “De akkerbouwers die perceelranden braak leggen en ’s winters wat graan laten staan, hebben bewezen dat je op het moderne akkerland met weinig inspanning en tegen lage kosten veel kunt bereiken voor akkervogels.”

Minister Verburg van Landbouw toonde zich afgelopen zomer gevoelig voor dat argument. Na een stevige lobby van de Werkgroep Grauwe Kiekendief en Vogelbescherming Nederland besluit ze tot 2013 dertig miljoen euro van de Europese landbouwgelden over te hevelen naar bescherming van boerenlandvogels.

Het idee om ’s winters voor vogels graan te laten staan, komt uit België. “Het Vlaamse ‘Graan voor gorzen’-project begon ermee”, zegt Ben Koks. “Wij experimenteren er in Nederland nu drie winters mee en het succes is verbluffend. Na één winter broedden er in de buurt van zo’n graanveldje voor het eerst sinds tientallen jaren weer geelgorzen op de Groninger zeeklei.”

Een restje graan houdt de vogels dus niet alleen in leven, het stimuleert vervolgens ook het broedsucces. De Vlaamse natuurbeschermers Robin Guelinckx en Freek Verdonckt ontdekten hetzelfde effect van wintervoedsel op grauwe gorzen. Grauwe gorzen zijn bruingevlekte zangvogels met een stevige snavel waarmee ze tarwe- en maïskorrels kunnen kraken.

Ze waren ooit zeer algemeen op Nederlandse akkers, maar zijn als broedvogel verdwenen. In Nederland werd het aantal grauwe gorzen in 1977 geschat op vier- tot achthonderd paren, grotendeels in Zuid-Nederland. Ook zongen de vogels hun rinkelende liedje nog langs de grote rivieren en op de akkers van Groningen. De neergang ging snel. Eerst trokken ze in de winter weg. Vervolgens verdwenen ze in korte tijd als broedvogel. De laatste paartjes broedden in Zuid-Limburg.

In Vlaanderen is het uitsterven van grauwe gorzen nog in volle gang. De ene na de andere populatie verdwijnt. “Net als destijds in Nederland, begint het met afwezigheid in de winter”, zegt Guelinckx. “Dan valt op de ondergeploegde stoppelvelden niets meer te halen. Na een paar jaar als zomervogel, klapt ook de broedpopulatie plotseling in. Ze krijgen te weinig jongen, ze gaan ten onder aan vergrijzing.”

STANDVOGELS

In de Nederlandse broedvogelatlas van 1977 staat dat grauwe gorzen trekvogels zijn. Ze waren immers ’s zomers in Nederland, maar ’s winters niet? Dat was dus een fase in het grote verdwijnen. Grauwe gorzen zijn juist standvogels en vertrekken alleen als ze anders verhongeren.

Op een kouter, een met akkers bedekte heuvel, die Guelinckx en Verdonckt namens de organisatie Natuurpunt voor akkervogels hebben ingericht, gaat het de vogels voor de wind. “Dit is het laatste bolwerk van Vlaanderen”, zegt Verdonckt. “Net op tijd. Sinds we granen laten staan, blijven de grauwe gorzen die er broeden, hier ook weer in de winter.” Op paaltjes zitten de forse, bruine zangvogels met hun zware snavels. Als ze vliegen, vliegen ze met hangende pootjes. Oranjerode pootjes. Ook veldleeuweriken vliegen over. Geelgorzen zijn er met honderden, evenals kneuen en ringmussen.

Grauwe gorzen staan bekend als late broeders. Dat late broeden lijkt net zo’n halve waarheid als hun vermeende trekvogelschap. Op de kouter van Guelinckx en Verdonckt vloog half mei het eerste grauwe gorsje al uit. Ruim een maand eerder dan volgens vogelboeken mogelijk is. Blijkbaar broeden ze vroeg, als ze maar te eten hebben. Ooit konden grauwe gorzen onbespoten zomergraantjes meepikken tijdens het zaaien. Toen broedden ze misschien wel twee of drie legsels uit. Zomertarwe wordt nauwelijks nog geteeld. Met maïskorrels nemen ze genoegen als tweede keus. Maar er is ook nauwelijks korrelmaïs, alleen snijmaïs waarvan geen korrel of stoppel achterblijft. In stoppelvelden vinden ze oogstresten, onkruidzaden en dekking.

Op de hamsterakker in Zuid-Limburg smullen veertig grauwe gorzen van tarwe- en maïskorrels. Hier lag de laatste broedplaats in Nederland. De gorzen broeden in een akkergebied vlak over de Belgische grens. Daar waren ze aan het wegkwijnen. Ook daar beginnen natuurbeschermers en akkerbouwers nu met veldjes graan voor de winter. En misschien, heel misschien, blijven er wel een paar in Limburg broeden.

Koos Dijksterhuis schreef het boek ‘Akkervogels’, dat net is verschenen. Het bevat portretten van tientallen akkervogels, akkerbouwers en natuurbeschermers. Er staan veel foto’s in van Hans Hut. Uitgeverij Roodbont, pagina’s, €