Weer de lucht in

Dit is precies een week geleden gebeurd. Op die mooie najaarsochtend was de luchtmachtbasis Gilze Rijen een oord van rust en vrede. Lege asfaltwegen en startbanen, in de verte een reeks hangars waarin de vervaarlijke helikopters, de Apaches en de Chinooks, veilig waren opgeborgen. Geen mens te zien. Alleen hier en daar een vrolijk rennend konijntje, en waarachtig, een hert dat met een elegante sprong in het bos verdween. Een natuurreservaat. Tot we na een scherpe bocht bij een grote hangar kwamen. Daar stond het meer dan 65 jaar oude wonder. Glanzend, vervaarlijk, elegant en onverzettelijk, alsof het gisteren uit de fabriek was gekomen. De North American B-25 Mitchell, startklaar.

Van dit type zijn er ongeveer 9800 gebouwd; nu zijn er nog 34 over. Dit exemplaar is tientallen jaren geleden ontdekt op een vliegveld in Baton Rouge, Louisiana waar het een langzame dood tegemoet ging. Een paar Nederlanders grepen in, vlogen het toestel naar Eindhoven waar het volmaakt werd gerestaureerd en tot vlaggevliegtuig van The Duke of Brabant Air Force bevorderd. Deze luchtmacht is intussen opgegaan in de Historical Flight van de Koninklijke Luchtmacht.

In de vorige eeuw, mocht ik al een keer mee. We zetten koers naar Rotterdam en vlogen, laag en langzaam, dezelfde route die de Heinkels 111 op 14 mei 1940 hadden gevolgd. Ik zat in de neuskoepel, in vredestijd een vorstelijke plaats. Daar zag ik mijn ouderlijk huis, daar herkende ik de overblijfsels uit het vooroorlogse stratenpatroon. Ik bekeek de herbouwde stad, ik was trots en tegelijkertijd bevangen door melancholie. Dat krijg je op den duur; niets aan te doen.

Terwijl ik dit vliegtuig nog een beetje stond te bewonderen, kwam er een auto met een Frans nummerbord aanrijden. Er stapte een kwiek kereltje van een jaar of 22 uit, en aan de andere kant verscheen iets langzamer een oude man. De heren werden in perfect Frans begroet door Coert Munk, de minzame gezagsdrager die wat de B-25 aangaat, uiteindelijk de touwtjes in handen heeft. We liepen naar de hangar en daar zag de oude het vliegtuig. Twee tranen liepen over zijn wangen. Het was, vertelde hij later, een totale verrassing. Zijn kleinzoon had hem voor zijn negentigste verjaardag uitgenodigd voor een leuk tochtje naar Nederland maar het einddoel geheim gehouden. Opa was in de oorlog piloot van een B-25 geweest. Hij had wel enig vermoeden gehad dat het verjaardagscadeau iets met die oude tijd te maken had, maar niet dit. En daar stond hij, voor deze geweldige driedimensionale herinnering aan zijn jeugd. Hij wist nog niet dat hij mee de lucht in moest.

Bij zo’n bommenwerper moet je via een smal trapje door een opening in de onderkant naar binnen. Daar is alles het tegendeel van comfortabel. Hard en hoekig. De oude was opnieuw opgetogen-verrast. Hij kreeg een plaats achter de twee piloten, ik zat aan een van de twee zijramen waar destijds de mitrailleurs uitstaken. Iedereen zat vastgegespt, te wachten op die paar grote ogenblikken: de start van de motoren en het opstijgen. Een zuigermotor maakt bij de start een heel ander geluid dan een straalmotor. Het begint met een soort zwaar hoesten, terwijl blauwe rook uit de achterkant van de motoren komt. Dat verandert langzamerhand in een sonoor geluid. Het is indrukwekkende muziek. Die zwelt aan, wordt oorverdovend, het vliegtuig begint te rijden, accelereert, in het begin veel harder dan een verkeersvliegtuig met straalmotoren, en dan opeens treedt een nieuwe rust in. We vliegen. Airborne in het Engels. Een goed woord.

Deze keer gingen we over Zeeland, een herdenkingsvlucht omdat ze daar 65 jaar geleden zijn bevrijd. Middelburg, Westkapelle, Vlissingen. Het blijft een mooi land. En terug, veilig geland. De oude Fransman klom eruit; monter, kwiek, kaarsrecht liep hij over het tarmac. In de lucht was hij even tientallen jaren jonger geworden.