Wat zoekt het Huis van Oranje toch altijd in Afrika? Voormalig Nederlands Indië ligt meer voor de hand

Ons uit Duitsland afkomstige koningshuis is nooit erg gesteld geweest op Indonesië maar reist liever naar Oost-Afrika, waar de Duitse koloniën lagen. Toch zou kroonprins Willem-Alexander veel dankbaarheid oogsten als hij niet in Mozambique maar in Indonesië zou investeren. Neem een voorbeeld aan andere vorstenhuizen.

Cultureel antropoloog, bestuurskundige en publicist. Deed tussen 2005 en 2008 voor het Centrum voor de Geschiedenis van Migranten onderzoek in het kader van het project ‘Bringing history home: Postcolonial Identity Politics in the Netherlands’. Auteur van ‘Airconditioned lifestyles’, over de moderne Indonesische maatschappelijke elite in Jakarta en ‘Ons Indisch erfgoed. Zestig jaar strijd om cultuur en identiteit’.

Het zit kroonprins Willem-Alexander en prinses Máxima niet mee bij de verwezenlijking van hun vakantieparadijs op het schiereiland Machangulo in Mozambique. Hoewel het privéproject door het paar vooral werd gepresenteerd als eigentijdse vorm van ontwikkelingssamenwerking – de lokale bevolking ging ruimschoots mee profiteren – zijn de goede bedoelingen inmiddels op de achtergrond geraakt.

Niet lang na de presentatie rezen vragen over betrokkenheid van de kroonprins bij een ondoorzichtige projectstructuur, onbekende mede-investeerders en frauduleuze consultants. Premier Balkenende reageerde afgelopen zomer op de alarmerende berichten met de oprichting van de Stichting Administratiekantoor Machangulo, waarmee hij afstand wilde creëren tussen de kroonprins en diens vastgoedproject. Ruim een maand later werd in de pers melding gemaakt van verwaarlozing van de eerste infrastructurele projecten die voor de bevolking waren gepland. Kamervragen volgden. RTL Nieuws kwam in september met berichten over gewapende conflicten tussen de projectontwikkelaars en de bevolking van Machangulo. En op 29 oktober meldde deze krant dat bestuursvoorzitter Harold Fentener van Vlissingen van de Machangulo-stichting zelf óók investeert in het vakantieresort, wat moeilijk valt te rijmen met de ‘volstrekte autonomie’ waarmee Balkenende zijn stichtingsconstructie aanprees. Inmiddels is er een spoeddebat over de kwestie aangevraagd.

De meest veelbetekenende kritiek kwam echter begin oktober van de voorzitter van de Bond van Oranjeverenigingen, Michiel Zonnevylle. Hij riep op tot gehele afgelasting van het project: het is voor een aanstaand staatshoofd een „zeer ongelukkige keuze”, stelde de voorzitter, om in zo’n arm land uit privacyoverwegingen een vakantievilla te laten bouwen. Binnen de Oranjeverenigingen bestond veel discussie over het project en Zonnevylles oproep werd daarom breed gedragen. Balkenende en de vorstin zouden stopzetting moeten bespreken, zo bepleitte hij in de Volkskrant van 5 oktober.

Het is opmerkelijk dat één van de trouwste aanhangers van het vorstenhuis zo onverbloemd naar buiten treedt met afbrekende kritiek op de kroonprins. Maar misschien is het nóg opmerkelijker dat georganiseerde Oranje-aanhangers blijkbaar met lege handen staan als het gaat om de vraag in welk buitenland Willem-Alexander zijn zakelijke en toeristische aspiraties dan wél moet realiseren. Waarom heeft Zonnevylle geen lans gebroken voor de voormalige Nederlandse kolonie Indonesië, de ‘parel in de kroon’ van weleer?

Wat betreft privacy zouden Willem-Alexander en Máxima in ieder geval goed hebben gezeten in de circa 17.000 eilanden tellende archipel – veel kuststroken liggen afgelegen en kennen ook een prettig klimaat, om van de overweldigende natuur nog maar te zwijgen. Ook als het gaat om de kennelijk zo majeure ontwikkelingsbehoefte van het paar had Indonesië volop mogelijkheden geboden op het gebied van bijvoorbeeld onderwijs, erfgoedbehoud en infrastructuur (denk aan de rampzalige waterhuishouding van Jakarta).

Het positieve signaal dat was uitgegaan van een kroonprinselijke keus voor Indonesië zou vooral een geweldige opsteker geweest zijn voor de nog steeds niet echt genormaliseerde bilaterale betrekkingen. Die opsteker zou verder hebben gegolden voor de honderdduizenden mensen in Nederland die zich verbonden voelen met de ex-kolonie. En ook voor de inmiddels gedecimeerde, bejaarde generatie Indonesiërs die nog besef heeft van de Nederlandse monarchie. Een weliswaar anachronistisch, maar zeker positief te omschrijven besef: de geliefde ‘ratoe Juliana’ neemt op veel plekken in de archipel een kleine, maar onderscheiden plaats in de lokale overlevering in, als een soort oermoeder. Dat is een belangrijk gegeven, want het gaat hier om een vluchtige vorm van krediet die nog maar korte tijd verzilverd kan worden. Een Oranje-vakantieparadijs op Lombok of Soemba zou vanzelfsprekend ook de handelsbetrekkingen, de culturele uitwisseling en het toerisme ten goede zijn gekomen. Het zou, kortom, een nieuwe bladzijde hebben betekend in de oude en gekneusd geraakte verhouding tussen Nederland en Indonesië.

Het is niet moeilijk om in te zien dat slechts één jaarlijkse fotosessie met blonde prinsesjes onder Indonesische palmen meer helend effect zou hebben gesorteerd in Jakarta en Den Haag dan tien Hollandse handelsmissies. Koninklijke families spreken nu eenmaal zeer tot de Javaanse verbeelding. Een Indonesische droomvilla – maar niet in tempo doeloe-stijl – zou ook het koningshuis op een voor alle partijen aanvaardbare manier weer relevant hebben gemaakt voor het Nederlandse nationale belang.

Soortgelijke kansen voor postkoloniale synergie zijn in diverse andere ex-koloniale mogendheden al een tijd geleden ingezien en succesvol opgepakt. Zónder angst om van neokolonialisme te worden beticht.

Het meest overtuigende voorbeeld hiervan biedt zonder twijfel de Britse kroonprins Charles. Naast zijn bezigheden op het gebied van architectuur en alternatieve geneeswijzen ruimt hij tijd in voor de Tibetaanse strijd om soevereiniteit en eerbiediging van mensenrechten. Tibet is weliswaar nooit gekoloniseerd door de Britten, maar werd rond 1900 een Brits protectoraat. Het geopolitiek belangrijke en omstreden gebied lag lange tijd op de rand van de Engelse invloedssfeer. Sinds de Chinese invasie in 1951 en de vlucht van de dalai lama heeft de nobele strijd om de bevrijding van Tibet veel bijval gekregen uit het Westen. De Londense Free Tibet Campaign voert een permanente actie die prins Charles actief ondersteunt. Zo ontving de prins de dalai lama onder veel mediabelangstelling herhaaldelijk bij zich thuis en organiseerde hij (ook thuis) bijeenkomsten voor de Tibetaanse gemeenschap. Hij boycot staatsbezoeken van de Chinese president. In 2008 liet hij zich filmen terwijl hij samen met de dalai lama een boomplantceremonie op zijn gazon uitvoerde. Ook probeert Charles de internationale discussie over Chinese mensenrechtenschendingen in Tibet te beïnvloeden. Zo weigerde hij demonstratief aanwezig te zijn bij de openingsceremonie van de Olympische Spelen in Peking in 2008, wat onvermijdelijk discussies bij andere afvaardigingen losmaakte.

Charles’ pro-Tibetacties (en anti-Chinese uitlatingen) staan soms op gespannen voet met het Britse regeringsbeleid. Ondanks of misschien juist met behulp hiervan bouwt hij in binnen- en buitenland een persoonlijk-prinselijk, maar ook zeer Brits imago op van koene ridder voor een noble cause: op de bres voor spirituele gerechtigheid, cultureel respect en mensenrechten voor een dwergstaatje, dwars tegen het Chinese imperialisme in. Daarmee herschept of corrigeert hij ook de koloniale geschiedenis, want de Brits-Indische militaire expeditie in 1903 tegen de slecht bewapende Tibetanen was zeer bloedig van start gegaan. Charles oogst wereldwijd erkenning met zijn stellingname: vanuit India, waar zijn anti-Chinese manoeuvres nauwlettend worden gevolgd, werd in 2008 zelfs gevraagd of hij wilde helpen bij het uitroepen van de ‘onafhankelijke republiek Andhra Pradesh’. Desnoods wilde de deelstaat weer deel gaan uitmaken van het Verenigd Koninkrijk.

De kroonprins van Denemarken, Frederik, pakt het anders aan. Zijn liefde voor de zo goed als voormalige Deense kolonie Groenland liet de gediplomeerde kikvorsman (!), bijgenaamd Pingo, blijken door in 2000 deel te nemen aan een bijna 2.800 kilometer lange, vier maanden durende sledehondenpatrouille langs de noordelijke en noordoostelijke kustlijn. Met deze barre en risicovolle tocht werd de militaire controle door middel van sledehondenpatrouilles gememoreerd, die vijftig jaar jaar eerder van start was gegaan ter bewaking van de Deense soevereiniteit over Groenland. Alleen de meest fysiek en mentaal geharde militairen werden geselecteerd voor deze patrouilles. Frederiks jubileumtocht had zowel in historisch als in natuurwetenschappelijk opzicht een ambitieuze insteek en de voortgang kon in afleveringen op televisie worden meebeleefd, met ingesproken commentaar van de prins zelf (later ook verkrijgbaar als dvd). Na afloop kwam Frederik in de pers herhaaldelijk terug op de diepe indruk die de onderneming op hem had gemaakt. Zijn tocht verbond Groenland, tegenwoordig een gebied met status aparte, met ecologisch-toeristische ambities, symbolisch weer met Denemarken en leverde de prins veel (inter)nationaal gezag op.

Andere kroonprinsen bewegen zich liever op het diplomatieke vlak. Zo reist Felipe, kroonprins van Spanje, geregeld heen en weer tussen Latijns-Amerika en zijn moederland, omdat hij de rol van officiële vertegenwoordiger van de Spaanse staat vervult tijdens presidentsbeëdigingen in dit werelddeel. Hij doet de voormalige koloniën tevens aan als leider van talrijke Spaanse handelsmissies, een taak die ook de Belgische kroonprins Filip op zich heeft genomen, zoals enkele malen in de richting van Zuid-Afrika.

Een wederzijdse heroriëntatie op de ongemakkelijke banden van vroeger kan dus profijtelijke gevolgen hebben, zo blijkt uit deze voorbeelden – mits daarbij een rol is weggelegd voor de toekomstige monarch. Hij of zij belichaamt immers bij uitstek de schone lei van de dekolonisatie. Hoe staat het eigenlijk met de bijdrage van prins Willem-Alexander aan de Nederlandse postkoloniale verhoudingen?

Ook al dankten zijn voorouders hun vermogen grotendeels aan hun Indische investeringen, Willem-Alexander kwam niet echt in een gespreid bedje terecht wat betreft de vorstelijke affiniteit met de (ex-) koloniën. Hoewel de moderne Oranjecultus nergens zulke fanatieke vormen heeft aangenomen als in Nederlands-Indië, bleef de liefde vooral van de kant van de onderdanen komen. Geen enkele gekroonde Oranje heeft bijvoorbeeld ooit voet aan wal gezet in Nederlands-Indië. Toen de regering in juli 1940 op het punt stond om naar Batavia te evacueren lag koningin Wilhelmina onverwacht dwars. „Zij weigert te gaan, want Zij kan niet vanwege de warmte”, noteerde een hoge ambtenaar in zijn dagboek; het was „ontzettend”, zo stelde hij, „dat een Oranje zulk een argument bezigt”. Wilhelmina opende in 1946 wél gastvrij een vleugel van paleis Het Loo voor Indische migranten, voor wie toen moeilijk onderdak te vinden was.

Pas in 1971, na het verdwijnen van de in Nederland gehate president Soekarno, vond het eerste staatsbezoek naar Indonesië plaats, dat uitmondde in een zeer succesvol optreden van koningin Juliana. De Indonesiërs ontvingen haar allerhartelijkst. In 1995 volgde een staatsbezoek van koningin Beatrix in het gezelschap van onder anderen Willem-Alexander, dat algemeen als stroef en niet geslaagd werd beschouwd. Oud zeer rond de politionele acties en de eenzijdige onafhankelijkheidsverklaring had vooraf tot een felle opstelling geleid bij de oud-strijders, die vreesden dat Nederland in Jakarta spijt zou gaan betuigen over het gewapende optreden toentertijd. Beatrix kon, ondanks haar persoonlijke intenties, de hoge Indonesische verwachtingen rond haar bezoek daardoor niet waarmaken. De kroonprins liet vanuit Jakarta in een interview weten dat hij ‘verbaasd’ was hoezeer de Indonesische vrijheidsstrijd nog emoties kon losmaken in Nederland. Die verbazing werd geen aanleiding voor een verdieping van zijn betrokkenheid en interesse in de voormalige Indische kolonie, inmiddels het grootste islamitische land ter wereld, met een stabiele regering en een gestadig groeiende economie. Willem-Alexander beweegt zich geheel vrij van de grote historische verknopingen van zijn moeders monarchie. Dat komt misschien het beste tot uiting in zijn uitgesproken, haast naïeve hang naar Oost-Afrika. Als 22-jarige was de prins al actief als vrijwilliger bij de Flying Doctors in Kenia, een avontuur dat gevolgd werd door veel andere activiteiten in het donkere werelddeel. „Dankzij mijn vader en grootvader zit Afrika mij in de genen”, zo verklaarde hij vorig jaar aan de pers: „Ik geloof in het continent. Dan moet je ook je nek durven uitsteken en investeren.” Voor wie niet beter zou weten, lijkt het erop dat Willem-Alexander als kroonprins van Duitsland bezig is postkoloniale synergie op te wekken. Na de eenwording, eind negentiende eeuw, verwierf het land grote bezittingen in Oost-Afrika, aan dezelfde kust als waar de kroonprins zijn lustoord heeft gepland.

Het is echter de vraag of het Willem-Alexander kwalijk genomen kan worden dat hij in een andere continuïteit leeft dan in die van zijn toekomstige koninkrijk. Verdringing van het Indische verleden verdient hier immers de voorkeur, tenzij aangeboden in de vorm van hapklare brokken culturele nostalgie. In Nederland heeft tot dusver geen enkele instantie, organisatie, beweging of gemeenschap het idee geopperd dat Willem-Alexander het misschien beter kan zoeken in Indonesië: strand, rust, investeringen, ontwikkelingsprojecten. En synergie. Zó massaal en permanent heeft de postkoloniale vergetelheid in de maatschappij na zestig jaar toegeslagen, ondanks de vele persoonlijke banden en contacten die zijn blijven bestaan na 1949. Misschien dat de Bond van Oranjeverenigingen de prins eens kan helpen herinneren aan de kroon, en aan de parel.