Ware aard Van Doesburg blijft raadsel

Tentoonstelling Van Doesburg and the International Avant-garde’, t/m 3 januari 2010 in Stedelijk Museum de Lakenhal, Oude Singel 28-32, Leiden. Di-vr 10-17u., za-zo 12-17u. Inl.: 071 5165360 / www.lakenhal.nl****

Kunstenaar Theo van Doesburg (1883-1931) moet erg tevreden zijn geweest over de strenge foto die hij in 1921 liet maken van hemzelf en zijn vrouw Nelly. Hun hoofden vormen een strakke compositie en ze kijken met priemende blikken, bijna boos, voor zich uit. Die verbeten blik past bij de reputatie van Van Doesburg, spil in de avant-gardes van het interbellum. De foto dook overal op, en ook nu weer, bij de grote tentoonstelling rond zijn persoon in Leiden. Toen Museum De Lakenhal bezig was met de voorbereidingen, kwam het erachter dat de Tate Modern in Londen hetzelfde deed. Ze besloten de krachten te bundelen en dat is te zien: met ruim driehonderd werken, ook van tijdgenoten, heeft Van Doesburg een ware blockbuster gekregen. De Lakenhal kreeg de primeur, in februari reist de tentoonstelling naar Londen.

Van Doesburgs levensloop is bekend. In 1916 leerde hij de elf jaar oudere Piet Mondriaan kennen, van wie hij diep onder de indruk raakte en wiens schilderstijl hij overnam. Mondriaan schiep geometrische evenwichten met lijnen en vlakken in primaire en non-kleuren. Deze universele schoonheid zonder poespas moest dienen als blauwdruk voor een betere, moderne wereld. Het was alleen nog zaak om de wereld daarvan te overtuigen.

Dat werd de missie van Van Doesburg. Hij startte het tijdschrift De Stijl en ging de ideeën – vooral Mondriaans ideeën - verkondigen. Eerst in Nederland, gauw ook daarbuiten. Hij had succes. De Eerste Wereldoorlog had Europa in zo’n chaos gestort, dat het verlangen naar een ordelijke harmonie goed aansloeg. Van Doesburg inspireerde tal van kunstenaars.

Het bleef niet bij schilderkunst: de harmonieuze geometrische schoonheid moest het hele leven overnemen. Daar nam Van Doesburg een voorschot op met glas-in-lood, typografie, design, om zich uiteindelijk vooral te gaan toeleggen op architectuur. Bouwkunst kwam immers meer in de leefwereld van de mens dan een schilderij. Bovendien kon een gebouw net zo goed worden opgebouwd uit kleurige vlakken. Van Doesburg was niet de enige die vond dat de kunst overal moest komen. De Lakenhal laat prachtige wegbakens zien van Walter Dexel, lichtreclames van Herbert Bayer, een tankstation van Lajos Kassák – alles hoekig en in primaire kleuren. Met deze onverwachte kunsttoepassingen biedt de tentoonstelling aardig wat verrassingen.

Van Doesburgs interesse in schilderkunst daalde en uiteindelijk verbrak Mondriaan de vriendschap. Dat zou Van Doesburg vaker overkomen. Uiteindelijk bleek hij voor veel vrienden toch te dogmatisch. Die kritiek boeide hem niet. Het propageren van de geometrische abstractie bleef voor hem een kruistocht waarbij hij steeds nieuwe vijanden zag, zoals eind jaren twintig de surrealisten. Telkens vond hij geestverwanten: de Lakenhal laat zien hoe hij steeds nieuwe schilders, meubelontwerpers en architecten vond die met lijnen en primaire kleuren een geometrisch wereldbeeld schiepen. Tachtig kunstenaars bracht de Lakenhal samen, zowel uit De Stijl – Rietveld, Van der Leck, Van Eesteren, als daarbuiten – Arp, Lissitzky, Severini en vele anderen.

Van Doesburg documenteerde elke activiteit en connectie. Het is een voordeel dat we zo veel van hem weten, maar ook een nadeel. Zowel de catalogus als de tentoonstelling, vol prachtige werken en met zorg gemaakt, illustreren vooral het bekende curriculum vitae van Van Doesburg: de bevlogen, rechtlijnige netwerker. Ergens boft hij dat het anti-modernisme in het huidige architectuur- en literaire debat niet bij de beeldende kunst is aanbeland. Architectuurtheoretici beschuldigen het geometrisch modernisme ervan een anti-humaan systeem te hebben opgelegd aan het volk – een bouwprincipe dat ook Van Doesburg propageerde.

Maar het is de vraag in hoeverre het rigide imago van Van Doesburg klopt. Hij had een geheim dubbelleven, waar ook zijn vrienden niet van wisten. Onder de naam I.K. Bonset (dat een anagram zou zijn van ‘ik ben sot’) schreef hij dadaïstische gedichten. Waar De Stijl rechtlijnige harmonie bezong, deed Dada dat met chaos en waanzin. Kon Van Doesburg zijn eigen Stijl-dogma’s ook niet altijd verdragen? Wat ging er in zijn hoofd om?

Nog iets vreemds, wat slechts een passage in de catalogus vormt, is dat hij tijdens de Eerste Wereldoorlog twee jaar in België vocht. Dat was een gruwelijke loopgravenoorlog. Daarna brak hij met zijn leven en nam definitief een nieuwe naam aan (eigenlijk heette hij Emile Küpper). Het kan niet anders dan dat hij donkere zieleroerselen heeft gehad, maar die zijn goed verborgen gebleven. In hoeverre was hij die ordentelijke Stijl-voorman? Of was hij meer dadaïst? Een portretfoto van I.K. Bonset is heel anders dan het strenge dubbelportret van de Van Doesburgs. Bonset is op de rug gefotografeerd, omgeven door een aureool van de boze woorden ‘je suis contre tout et tous’. Het is voor Van Doesburg een prestatie en voor ons een gemis dat zijn ware aard ook nu nog een raadsel is.

Rectificatie / Gerectificeerd

Correcties en aanvullingen

Van Doesburg

In het artikel Ware aard Van Doesburg blijft raadsel (7 november, pagina 9) staat dat Van Doesburgs echte naam Emile Küpper was. Hij heette Christian Emil Marie Küpper. Ook vocht Van Doesburg niet in België; hij was in 1914 ingekwartierd bij de Belgische grens, onder meer in Tilburg.