Vrijheid? Dat zijn sombere gezichten

„Voor de zoveelste keer voelde ik me een stralende idioot tussen geëngageerde en onder hun verantwoordelijkheid gebukt gaande mensen” Martin Šimek over zijn beleving van het vrije Westen

„De echte tijd van omwentelingen ligt nog voor ons”Joschka Fischer over de wereld na 1989.

Radio- en televisiepresentator, en cartoonist. Geboren in Praag (1948). Woonde aan beide kanten van de Muur. Twintig jaar aan gene zijde, en sinds 1968 in het Westen. Daarover heeft hij een boek geschreven, ‘De vuurvliegjes achterna’ (Bezige Bij) dat sinds afgelopen donderdag in de boekwinkels verkrijgbaar is.

Heel even wist ik wat vrijheid was. Ik was een jaar of drie en rende de berg af. ‘Pas op, stop!’, riep mijn moeder. Tevergeefs. Ze kon me niet meer inhalen. Ze durfde zich niet aan de zwaartekracht over te geven. Ze kon niet vliegen. Ik wel. Het gaf niks dat ik viel. Voor vrijheid moet je betalen, wist ik meteen.

Ik groeide op en het drong langzaam tot me door dat ik in een immense gevangenis was geboren die Oost-Europa heette. Al gauw wist ik precies te vertellen wat vrijheid was: alles wat wij niet hadden. Want de vrijheid huisde in het Westen.

Op 21 augustus 1968 vielen de Russen Tsjechoslowakije binnen. Ik ontvluchtte mijn vaderland en kwam in de felbegeerde westerse vrijheid terecht. De Oost-Europese zwart-witfilm werd op slag een kleurenfilm. En er was keuze. Ik mocht kiezen, ik móést kiezen, tot de kleur van mijn onderbroek aan toe.

Ik straalde, maar dikwijls als enige. De vrijheid was mijn nieuwe landgenoten gek genoeg niet aan te zien.

Ik had Maarten uitgekozen om mijn eerste echt persoonlijke vraag aan te stellen. Ik was hem al maanden aan het observeren. Hij vertegenwoordigde voor mij het Nederland dat het goed had en goed deed. Maarten, een werkstudent, reed al een eigen autootje en haalde allemaal negens in politieke wetenschappen, een studie die waar ik vandaan kwam een farce was, maar die me hier, in het Westen, het ijkpunt van de democratie leek.

En toch keek Maarten moeilijk, lachte zuinig en gaf nooit een rondje in de sociëteit. Dat wilde ik snappen, ook omdat hij zeker niet de enige van mijn nieuwe landgenoten was die de indruk wekte dat hij onlangs een dierbaar familielid had verloren. Ik zag ze dagelijks over de tennisbanen, waar ik mijn brood verdiende, sjokken. Daar liepen ze rond: succesvolle, welgestelde treurwilgen waar alle levensvreugde door een vampier leek uitgezogen.

„Ben je gelukkig?”, vroeg ik Maarten, mijn medestudent aan de Amsterdamse Vrije Universiteit, want als je net uit het Oostblok komt en eindelijk een keertje mag kiezen, dan kies je niet voor de ‘Gemeentelijke Universiteit’. Pas veel later begreep ik dat die termen bij ons een heel andere betekenis hadden dan hier, in het Vrije Westen.

„Gelukkig?”, antwoordde Maarten verontwaardigd, bijna boos, „waar heb je het in godsnaam over?”

Ik schaamde me. Voor de zoveelste keer voelde ik me een stralende idioot tussen geëngageerde en onder hun verantwoordelijkheid gebukt gaande mensen. Ik was blij met de onbenulligste dingen, zoals dat je echt wc-papier kon krijgen en niet je billen met een in stukjes geknipte partijkrant hoefde af te vegen. Wij kochten die krant alleen vanwege die functie, want het was het zachtste papier bij ons verkrijgbaar. De drukinkt aan je vingers en in je onderbroek nam je op de koop toe.

Tegen de achtergrond van onvrijheid was vrijheid makkelijk te formuleren. We fantaseerden er lustig op los, niet gehinderd door enige kennis van zaken. Mijn westerse leeftijdgenoten ontbrak het aan ons referentiekader van onvrijheid. Zij wilden meer van iets wat ze al hadden. Hun fantasie reikte dan ook meestal niet verder dan het boenen van hun nieuwe spijkerbroeken, net zo lang tot ze versleten en verkleurd oogden en nóg meer afstaken tegen de pakken van hun vaders die hun studie bekostigden. Naar huis gingen ze doorgaans alleen om de vuile was te brengen. Op hun studentenkamers in Uilenstede hingen Che Guevara en Karl Marx aan de muur.

Ook ik werd per jaar dat ik in het Westen doorbracht veeleisender, niet zo zeer wat maatschappelijke vrijheid betreft, maar wat betreft mezelf:

- Is dit alles?

- Ben ik hierom uit mijn vaderland gevlucht?

- Is wat ik van mijn leven maak het niet kunnen zien van mijn dierbaren waard?

Toen twintig jaar later de Muur viel en ik mijn Praagse vrienden terugzag, keek ik eindelijk echt geluk in de ogen. De val van de Muur was een kroon op hun sowieso gelukkige levens, binnen de omstandigheden dan. Terwijl ik eraan twijfelde of wat ik bereikt had voldoende was, of ik genoeg van mijn vrijheid had gemaakt, oogden zij ontspannen over hun verleden onder de communisten, waar immers toch niets van te maken viel. Al hun eventuele mislukkingen waren de schuld van het regime.

Vandaag, alweer twintig jaar later, twijfelen ook zij aan zichzelf en zijn we zodoende weer een beetje naar elkaar toe gegroeid, met dien verstande dat zij hun geluk en vrijheid in hun maatschappelijk slagen zoeken, en ik inmiddels in mezelf.

En zo ben ik na jaren zoeken uiteindelijk bij innerlijke vrijheid uitgekomen, net zoals mijn vader onder de communisten. Alleen, en dat is een belangrijk verschil, had hij geen keuze en ik wel. Vandaar dat ik toch blij ben dat ik destijds ben gevlucht.

Maar vraag me alsjeblieft niet wat vrijheid is. Ik ben er nog dagelijks naar op zoek. Ik ben slechts ervaringsdeskundige in onvrijheid.