Vaarwel spijkerbroek

Ze worden spijkerbroeken genoemd: de jongens en meisjes die op de eerste dag van hun nieuwe bestaan als rekruut het kazerneterrein betreden. De lichte intimidatie maakt deel uit van het creëren van een eigen cultuur, binnen de poorten van het oefenterrein, op enige afstand van de spijkerbroekenmaatschappij aan de andere kant van de slagboom. Alles wat daar aan herinnert, moet zoveel mogelijk worden afgezworen. Mobiele telefoons? Inleveren. Bellen, mailen, twitteren, skypen, of sms’en met vrienden? Verboden. Eenmaal ontdaan van verbindingsmiddelen, is het de taak van de instructeurs om de spijkerbroeken te ‘vormen’. De blauwe jeans wordt omgewisseld voor het groen van de Landmacht, het gesteven blauw-wit van de Marine of een pilotenpak van de Luchtmacht.

Ook de binnenkant wordt onder handen genomen. Tijdens de opleiding wordt geprobeerd de ‘ik’ zoveel mogelijk ondergeschikt te maken aan het belang van het collectief. Het peloton gaat voor alles. Eerst breng je een collega in veiligheid, dan pas jezelf. Die gedachtengang lijkt haaks te staan op de huidige tijdgeest, die gekenmerkt wordt door onbeperkte keuzemogelijkheden voor jonge mensen. Wie zoveel keuzes heeft, kan moeilijk kiezen en wil dus liefst alles. In de praktijk: hoppen van de ene (onafgemaakte) opleiding naar een volgende onderwijsinstelling, gecombineerd met een reeks van bijbanen, afgewisseld met een rijk sociaal leven. En het liefst ook nog tijd overhouden voor winkelen, sporten en andere hobby’s.

Het is deze ‘slappe’ mentaliteit die kleeft aan de spijkerbroek, en die moet eruit, vinden de instructeurs. Ga naar een oefening, en hoor de opleiders klagen: de jeugd is niets meer gewend, is verwend. Bevelen, orde en tucht, dat is wat ze nodig hebben. Maar zegt niet iedere leermeester dat over een nieuwe generatie pupillen?

Aan de andere kant is de aanstaande militair van nu mondiger geworden, minder bereid ieder bevel klakkeloos over te nemen. Soms moeten instructeurs inbinden. De periode waarin de rekruten hun telefoon inleveren, is bijvoorbeeld ingekort, omdat sommige opleidingen mede hierdoor minder populair werden.

Zeker nu de economie hapert en de werkloosheid stijgt, is Defensie weer een aantrekkelijke werkgever. Terwijl elders de ontslagen vallen, zijn er bij Defensie 7.100 vacatures. In totaal biedt de organisatie werk aan 50.000 militairen en 20.000 burgers. Veel aspirant-militairen zien het werk bij de krijgsmacht als een goede baan met een aardig salaris, vol avontuur. Roekeloze avonturiers vallen snel af: uit cijfers van Defensie blijkt dat tussen december 2008 en juli 2009 zich 8.642 sollicitanten hebben gemeld. Slechts 1.336 mensen kregen een aanstelling. Vijfentachtig procent vindt dus geen baan. De krijgsmacht is niet voor iedereen.

Wie slaagt, blijft meestal maar kort. De militair van nu tekent meestal voor drie tot acht jaar. Een klein deel blijft, slechts zo’n 5.000 militairen met een kortlopend contract stromen jaarlijks door. Het grote verloop verklaart waarom Defensie jaarlijks duizenden militairen moet opleiden.

Wervers gaan daarom al vroeg op zoek naar schoolverlaters of naar jongeren op ROC’s. Al vanaf hun zeventiende mogen jongeren aan een vooropleiding beginnen bij de krijgsmacht. „Ze zien wat militair zijn inhoudt, namelijk een actieve baan, met collega’s”, zei commandant der strijdkrachten Peter van Uhm over zijn soldaten in een interview met deze krant. „Groepsbinding: dat is wat ze allemaal zoeken. En een hele hoop mensen zoeken ook wel de avontuurlijke kant. Heel veel van mijn militairen zijn geen schoolkinderen, ze hebben met de hakken over de sloot hun school afgemaakt, of helemaal niet. Maar het zijn fantastische militairen. Zij werken aan de toekomst van anderen en aan hun eigen toekomst.”

Nederland heeft een beroepsleger. Dus kan de krijgsmacht niet langer rekenen op een gegarandeerde aanlevering van 18-jarigen. De dienstplicht werd in Nederland door Lodewijk Napoleon in 1810 ingevoerd. De opkomstplicht is echter in 1997 opgeschort. Dat had te maken met de afname van de dreiging door de Koude Oorlog. Ten tijde van de val van de Muur, nu twintig jaar geleden, leek het gevaar voor een inval op eigen bodem afgewend. Bovendien ging Nederland deelnemen aan een heel ander type missie. Niet langer werd er droog geoefend op de Noord-Duitse laagvlakte, voortaan werden militairen concreet voorbereid op vredesmissies.

Waar de dienstplichtige soldaat zich soms nog afvroeg wat het nut was van al dat oefenen, turend naar een vijand uit het oosten die nooit zou komen, weet de militair van nu wat hem te wachten staat. Met 21 slachtoffers en een veelvoud aan gewonden in Uruzgan, is wel duidelijk dat dit geen beroep is voor een willekeurige spijkerbroek.