'Sommige dingen kán ik niet vergeten'

Voormalig aanklager van Neurenberg Benjamin Ferencz (89) krijgt vrijdag in Den Haag de Erasmusprijs. Hij wordt bekroond voor zijn ijver internationaal strafrecht erkend te krijgen. ‘Ik was voortdurend op weg om gruwelijke incidenten te onderzoeken.’

Benjamin Ferencz heeft de meest duistere kanten van de mens gezien. Hij heeft, zoals hij zelf zegt, een blik in de hel geworpen. Toch kan hij zich ook opwinden over, pakweg, wat er gisteravond op de televisie was. Want de Amerikaanse jurist, die soldaat was in de Tweede Wereldoorlog, onderzoeker van oorlogsmisdaden in het naoorlogse Duitsland en aanklager bij de processen van Neurenberg, is ondanks alles niet cynisch geworden.

„Ik zag een programma op tv over de prachtige nieuwe kunstbenen en kunstarmen die ze bij het leger hebben ontwikkeld”, zegt Ferencz met opgewonden stem. „Hoe goed die wel niet werken. Ik werd des duivels. Want ik wíl niet dat jonge mensen protheses nodig hebben. Ik vind het verschrikkelijk dat ze in een positie gebracht worden waarin ze hun armen en benen kunnen verliezen. Natuurlijk ben ik blij dat ze nu geholpen worden, maar ik vraag me altijd af: was dit echt noodzakelijk? En dan kom ik op het antwoord: nee. Oorlog is het falen van de politieke leiders en de diplomaten, die er maar niet in slagen een meer menselijke en rationele manier te vinden om onze planeet te besturen.”

Benjamin Ferencz is 89, maar hij draait op volle toeren. Een afspraak maken is niet makkelijk, want hij is veel op reis om zijn ideeën over het belang van internationaal strafrecht voor de wereldvrede te verbreiden. „Bel maar op als je in New York bent, dan zien we wel”, zegt hij aanvankelijk kortaf. Is het niet mogelijk toch alvast een datum te prikken? „Nee, dat kan niet.” En hij heeft de telefoon alweer neergelegd.

Maar op een zonnige najaarsdag, een paar weken en nog wat telefoontjes later, staat Ferencz zijn gast met open armen op te wachten voor zijn huis in New Rochelle, met de trein een half uurtje ten noorden van Manhattan. Een kleine, beweeglijke man, met onderzoekende ogen achter een grote bril.

Dit huis, vertelt hij, betrokken zijn vrouw en hij toen ze in 1956 met hun vier kleine kinderen terugkwamen uit Duitsland. Als oorlogsveteraan kon hij een aantrekkelijke hypotheek krijgen. De groene, heuvelachtige buurt, met vrijstaande huizen, slingerende straten en hoge bomen, was een wereld van verschil met de gewelddadige achterbuurt in New York waar Ferencz als immigrantenkind was opgegroeid.

Het huis is sober ingericht, in de stijl van de jaren vijftig. Een enkel meubelstuk is inmiddels opnieuw modieus geworden. In de studeerkamer staat voor het raam een groot bureau, opgetrokken uit stalen ladenblokken van ouderwetse archiefkasten. In de boekenkast wordt een complete plank in beslag genomen door werken van de heer des huizes.

Ferencz gaat in zijn bureaustoel zitten, bedenkt zich, springt weer op en loopt weg om zijn vrouw Gertrude te vragen of zij misschien bij het interview wil zijn. Dat wil ze, zegt ze, ook al kent ze alle verhalen na meer dan zestig jaar huwelijk wel zo’n beetje. Zorgzaam begeleidt hij haar naar een bank naast het bureau. „Zo, nu hebben we tenminste publiek”, zegt hij met een brede grijns.

Op 13 november krijgt Ferencz in paleis Noordeinde in Den Haag uit handen van kroonprins Willem-Alexander de Erasmusprijs, samen met de Italiaanse jurist Antonio Cassese, de eerste president van het Joeslavië-tribunaal. Ferencz wordt bekroond, aldus de jury, voor de strijd die hij al zijn hele leven voert om planners en uitvoerders van grootschalige wreedheden voor de rechter te brengen.

Hij was 27 jaar toen hij in Neurenberg tot hoofdaanklager werd benoemd in het zogeheten Einsatzgruppenproces, waarin 22 hoge SS’ers terechtstonden die bij elkaar een miljoen doden op hun geweten hadden, Joden vooral en ook Roma. Alle 22 nazi’s werden veroordeeld, dertien kregen de doodstraf en werden opgehangen.

Na die tijd is de Amerikaan op eigen houtje onvermoeibaar blijven ijveren voor erkenning van het internationale strafrecht, wat er aanzienlijk toe heeft bijdragen dat in 2002 uiteindelijk het Internationale Strafhof in Den Haag werd opgericht. „Ferencz vormt in eigen persoon de verbindende schakel met wat nu in het internationale strafrecht gaande is”, aldus de Erasmus-jury, doelend op de verschillende tribunalen die een halve eeuw na ‘Neurenberg’ zijn ontstaan.

Hoe is het recht uw leven gaan bepalen?

„Ik heb als kind nooit cowboy of brandweerman willen worden”, vertelt Ferencz. „Zodra ik oud genoeg was om te denken, wilde ik jurist worden en was ik in strafrecht geïnteresseerd. Omdat ik in onze buurt zoveel criminaliteit om me heen zag, wilde ik iets doen aan misdaadpreventie.”

Die New Yorkse buurt, niet ver van Times Square, Hell’s Kitchen, stond jarenlang bekend als de gevaarlijkste buurt op het Amerikaans continent. Bendes maakten de straten onveilig, tijdens de drooglegging werd er illegaal drank gestookt en verhandeld, de immigranten uit het Oude Continent woonden er dicht op elkaar.

Ferencz was tien maanden oud toen zijn ouders, Hongaarse Joden uit een afgelegen dorpje in Transsylvanië, berooid met hem en zijn zusje in Amerika aankwamen. Zij waren gevlucht voor Jodenvervolgingen die toenamen toen Transsylvanië in handen van Roemenië kwam. Het gezin belandde in New York in een armoedige kelderwoning. Geld was er nauwelijks. Er werd alleen Jiddisch, en een klein beetje Roemeens en Hongaars gesproken.

Maar ‘Bennie’ bleek goed te kunnen leren. En met behulp van verschillende beurzen kon hij studeren, uiteindelijk zelfs aan de befaamde Harvard Law School. En toen brak de Tweede Wereldoorlog uit. Nadat hij afgestudeerd was, ging Ferencz in dienst.

U heeft als jonge militair de gruwelen van de Holocaust met eigen ogen gezien. Als aanklager heeft u zich er verder in verdiept. Wat deed dat met uw mensbeeld?

„Aanvankelijk niet zoveel. Mijn mensbeeld hield me minder bezig dan mijn beeld van het Amerikaanse leger, waarin ik me helemaal niet op mijn plaats voelde. Ik kreeg voortdurend te horen dat ik niet geacht werd zelf na te denken. Maar ja, dat was helaas een gewoonte die ik als kind al had aangenomen. Het maakte me opstandig.

„We waren geland in Normandië, we hadden gevochten in de Ardennen. Toen de oorlog voorbij was, overheerste bij mij de opluchting dat ik niet meer onder de militaire discipline viel. Je was jong, je dacht meer aan je persoonlijke toekomst dan aan het lot van het mensheid.”

Maar als jurist werd u met uw neus op allerlei wreedheden gedrukt.

„Aanvankelijk zat ik bij de artillerie. Maar naarmate de geallieerde legers verder optrokken, stuitten we in Duitsland op steeds meer misdaden die onderzocht en berecht moesten worden. Neergeschoten Amerikaanse piloten bleken vaak door de lokale bevolking te zijn vermoord. Er kwamen ook berichten over de concentratiekampen, over zieke en uitgemergelde mensen langs de weg en stapels lijken in de kampen. En er werden kampbewakers gearresteerd.

„Binnen het leger had niemand nog gehoord van het begrip misdaden tegen de menselijkheid en er was vrijwel geen juridische kennis over oorlogsmisdaden. Maar ik had er voor mijn hoogleraar in Harvard literatuuronderzoek naar gedaan en er zelfs een artikel over geschreven. Dus kreeg ik de opdracht een afdeling voor oorlogsmisdaden op te zetten. Ik was voortdurend op weg om gruwelijke incidenten te onderzoeken, verdachten op te pakken en zodra er weer een concentratiekamp ontdekt was de administratie in beslag te nemen.

„Wat ik in de kampen zag, vervulde me natuurlijk met afschuw. Maar op de een of andere manier trok ik in mijn hoofd een soort psychologisch schild op, waardoor mijn geest niet opnam wat mijn ogen zagen. Dat afweermechanisme heeft me vaak goede diensten bewezen. Soms drong pas jaren later in volle omvang tot me door wat ik had gezien.

„Nu ben ik bijna negentig en anders dan veel leeftijdgenoten is mijn probleem niet dat ik te veel vergeet. Mijn probleem is dat ik sommige dingen niet kán vergeten. Ik probeer er nu zo min mogelijk over te praten.”

Maar moet u er soms niet tóch over spreken?

„Toen ik mijn papieren overdroeg aan het Nationale Archief was er een openbare bijeenkomst georganiseerd waar ik bepaalde stukken die ik in de oorlog geschreven had, moest voorlezen. Maar dat kon ik niet, het is te emotioneel geworden.”

Toen de oorlog voorbij was, zetten de vier geallieerde bezettingsmachten in Duitsland (de VS, Rusland, Groot-Brittannië en Frankrijk) het Internationale Militaire Tribunaal op, dat in Neurenberg de 22 belangrijkste nog levende leiders van nazi-Duitsland berechtte. Na dat proces, dat internationaal veel aandacht trok, voerden de Amerikanen in Neurenberg nog twaalf processen tegen groepen Duitse oorlogsmisdadigers. Die vervolgprocessen, waaronder het Einsatzgruppenproces waarvan de jonge Ferencz hoofdaanklager was, moesten laten zien dat de misdaden van Hitler-Duitsland niet alleen af te schuiven waren op de politieke en militaire leiding van het land, in de hele maatschappij waren mensen verantwoordelijk.

Waren de Neurenberg-processen geen overwinnaarsrechtspraak?

„Die kritiek hoorde je ook toen al. De nazi’s zouden veroordeeld zijn voor misdaden die nog niet in de wet stonden, zoals agressie. Maar dat is onjuist. In de Volkerenbond was hier al jaren over gesproken. De nazi’s wisten heel goed wat ze deden. Als je één iemand ombrengt, is het een gruwelijke moord, en dan zou het geen misdaad meer zijn als je er miljoenen vermoordt?”

Bent u tevreden dat er een halve eeuw na ‘Neurenberg’ nu een permanent Strafhof is om misdaden tegen de menselijkheid te bestraffen?

„Toen ik mijn boek schreef over de noodzaak van zo’n strafhof, in 1980, versleet men mij voor gek. Dus ik was opgetogen toen het er uiteindelijk toch van kwam. Dat was een enorme vooruitgang.”

Maar de Verenigde Staten, uw eigen land, erkennen het hof niet.

Ferencz schiet uit zijn stoel, en zegt fel, maar met een spottende trek om zijn mond. „Dat is niet waar, wat u daar zegt! Niet de Verenigde Staten hebben zich tegen het strafhof verzet, maar een kleine kliek die acht jaar lang de macht in handen had en maling had aan het recht.”

Maar zal Washington zich ooit onderwerpen aan de rechtsmacht van het Strafhof, en dus aan rechters van een andere nationaliteit?

„Die rechters worden zorgvuldig geselecteerd, uit de verschillende delen van de wereld. Zijn die mensen niet capabel? Ik besef dat het hof nog in zijn kinderschoenen staat, en dat er nog veel moet gebeuren voor het goed functioneert. Het heeft bijvoorbeeld geen opsporingsbevoegdheid en middelen. En het kan wel straffen opleggen voor misdaden tegen de menselijkheid en genocide, maar niet voor agressie.”

Waarom is het voor u zo belangrijk dat de reikwijdte van het Strafhof wordt uitgebreid tot agressie?

„Het belangrijkste resultaat van Neurenberg was dat een agressieve oorlog bestempeld werd als internationale misdaad, terwijl het in de hele geschiedenis een nationaal recht was geweest. Wie zich voortaan schuldig maakte aan die misdaad zou zich voor een tribunaal moeten verantwoorden – daar stond Neurenberg voor en daar staat het nog steeds voor.”

Als het Strafhof zich ook over agressie mag uitspreken, moet de Amerikaanse regering dan niet aangeklaagd worden voor de invasie in Irak?

„Als mensen op illegale gronden een oorlog beginnen, dat wil zeggen zonder instemming van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, dan schenden ze het internationale recht. En dan moeten ze dus vervolgd worden, ongeacht hun nationaliteit.

„De regering-Bush heeft geprobeerd steun van de Veiligheidsraad te krijgen voor de invasie van Irak, maar dat lukte niet. Dat ze toen toch hebben doorgezet, is een duidelijk geval van agressie.”

Vindt u dat landen niet mogen ingrijpen als er ergens een genocide aan de gang is en de Veiligheidsraad het niet over een interventie eens kan worden?

„Dat is een cruciale vraag, waar ik ook lang mee getobd heb. Maar uiteindelijk vind ik dat je onder alle omstandigheden het recht hoog moet houden. Want als je dat niet doet, dan krijg je uiteindelijk toch chaos. En dat kost nog veel meer mensen het leven.”

Gelooft u werkelijk dat een Amerikaanse regering zich ooit bij het Strafhof zal aansluiten?

„Het aantreden van de regering-Obama is op zich al een enorme verbetering. Of er in het Congres genoeg politieke steun voor het Strafhof zal zijn, weet ik niet, maar ik heb goede hoop. Ik heb in mijn leven zoveel dingen zien gebeuren die niemand voor mogelijk had gehouden.”

Gertrude Ferencz, die al die tijd op de bank aandachtig heeft zitten luisteren, steekt nu bescheiden haar vinger op. „Wie had gedacht”, zegt ze, als ze het woord krijgt, „dat Obama gekozen zou worden? Wie had gedacht dat we nog zouden meemaken dat we een zwarte president hebben? Dat was toch ook onvoorstelbaar?” Dan pakt haar man de draad weer op – „nadat ik zo bruusk in de rede ben gevallen”, mompelt hij eerst nog met een liefdevolle knipoog.

„Het is moeilijk om vastgeroeste ideeën te veranderen, maar het kán wel. Oorlog is in het verleden altijd verheerlijkt als effectief middel om nationale doelen te bereiken. We zijn allemaal eeuwenlang gehersenspoeld om dat te geloven. Ik probeer dat te veranderen. ‘Recht, geen oorlog’ is mijn motto, Law, not war.

„Ik heb in de oorlog de onbeschrijflijke gruwelijkheden gezien die mensen elkaar aandoen. Maar ik ben ervan overtuigd geraakt dat de grootste misdaad de oorlog zelf is. Want iedere oorlog leidt tot wreedheden, altijd. Neem dat van mij aan. En ik ben toch niet gek? Ik ben toch geen idioot – dat kan helemaal niet” en hij barst in lachen uit, „want ik heb aan Harvard gestudeerd!” Schouderophalend voegt hij er aan toe: „Je kan maar beter lachen, want anders blijf je huilen.”

Heeft u uw vertrouwen in de mens nooit verloren?

„We leven in een behoorlijk ellendige wereld, vooral door de oorlogen. Oorlog maakt misdadigers van fatsoenlijke mensen. Bijna alle nazi’s die terechtstonden in het Einsatzgruppenproces waren academici – in andere omstandigheden vast keurige mensen. Eén van hen was zelfs twee keer gepromoveerd: dr. dr. Rasch. In twee dagen in 1941 had hij 33.771 Joden vermoord. Doctor doctor!

Bent u ondanks alles optimist gebleven?

„Ik noem mezelf een realistische optimist. Toen ik begon, was er nog helemaal geen internationaal strafrecht, er was geen Strafhof, er was geen humanitair recht om in bepaalde crisissituaties in te grijpen met toestemming van de Veiligheidsraad. Tijdens mijn leven heb ik al die dingen zien ontstaan. Dat is vooruitgang en daardoor kan ik optimistisch zijn.

„Maar ik ben tegelijk realistisch over de vele problemen die nog níet zijn opgelost. Na de Holocaust zeiden we dat zoiets nooit meer mocht gebeuren. Never again, een prachtige slogan. Maar wat denk je? In Rwanda gebeurde het weer. Terwijl we wisten dat het stond te gebeuren.”

Maar had de genocide in Rwanda voorkomen kunnen worden met alleen het recht, zonder oorlog?

„We hadden troepen kunnen sturen volgens de regels, met instemming van de Veiligheidsraad. De uiteindelijke oplossing ligt natuurlijk in een rechtvaardiger samenleving, waarin mensen geen redenen meer hebben om dit soort misdaden te begaan. Dan moet je de armoede en het maatschappelijk onrecht aanpakken. Dat is heel ingewikkeld, maar ook op dat vlak zie ik vooruitgang.”

Dan komt de woordenstroom even tot stilstand. Ferencz lijkt vermoeid door zijn eigen betoog. „Heb ik je geïnspireerd?” vraagt hij zacht.

Zonder het antwoord af te wachten springt hij weer kwiek op, om het spoorboekje te zoeken. „Over een kwartier gaat je trein, ik breng je wel even naar het station.”

In een grote, oude Buick vertelt Ferencz dat hij volledig verrast was toen hij hoorde dat hij de Erasmusprijs zou krijgen. „Ik had eerlijk gezegd nooit van die prijs gehoord. Maar ik ben er erg blij mee. Want ik kan alle hulp gebruiken.

„De steun die ik voor mijn missie krijg, valt nogal eens tegen. Als ik op spreekbeurten betoog dat recht boven oorlog moet staan, krijg ik wel veel bijval van studenten, veteranen en juristen. Maar veel mensen geloven niet werkelijk dat er iets veranderen kan, dus ze zijn bang om te zeggen: Ferencz heeft gelijk. Ze applaudisseren voor me en geven me schouderklopjes of zelfs een prijs, maar ze gaan niet met me mee de barricades op.”

Dat heeft misschien meer tijd nodig?

Stralend: „Precies, en ik ben nog jong, niet eens negentig!” <