Opel bewijst dat economie weer een staatszaak is

De Duitsers zijn kwaad. Opel blijft Amerikaans. Na de val van de Muur is Moskou economisch dichterbij dan Washington. Is dit staatskapitalisme of superkapitalisme?

Oude tijden, nieuwe symbolen.

In de nacht van 9 november 1989 roffelden West-Berlijners op de daken van langskomende Trabi’s, hun troetelnaam voor de Trabant, het Oost-Duitse ‘volkswagentje’. De Trabant was een symbool van de val van de Muur, van de nieuwe vrijheid die gevolgd zou worden door ongeëvenaarde financiële liberalisering en economische globalisering.

Nu, op twee dagen na twintig jaar later, roffelen Duitsers opnieuw. En weer is een auto het symbool. Opel. Maar ditmaal roffelt Duitsland niet uit vreugde, maar uit woede.

Autogigant General Motors (GM) heeft de verkoop van zijn Europese Opel-activiteiten ongedaan gemaakt en gaat zelf saneren. De ommekeer is de Duitse regering en de deelstaten rauw op het dak gevallen. Met het lot van Opel is de cirkel weer rond: niks liberaliseringsgolf, economie is weer een staatszaak. Economische beslissingen met grote gevolgen worden op papier nog genomen door topmanagers van formeel particuliere bedrijven, maar politici beheersen de onderhandelingen en worden aangesproken op het resultaat.

General Motors is voor tweederde in handen van de Amerikaanse overheid, een uitvloeisel van een ongekende reddingsactie voor een icoon van de kracht en de kennis van het Amerikaanse kapitalisme.

Opel zelf wordt, sinds het bankroet en de doorstart van General Motors afgelopen zomer, financieel overeind gehouden door een noodkrediet van 1,5 miljard euro van de Duitse overheid.

En de Russische Sberbank, die samen met de Canadese autotoeleverancier Magna de nieuwe eigenaar dacht te worden, is deels staatsbezit. De Russische centrale bank is meerderheidsaandeelhouder. Magna zelf was, tot de kredietcrisis vorig jaar herfst uitbrak, op zijn beurt gelieerd aan de Russische oligarch Oleg Deripaska, de eigenaar van de GAZ autogroep, die 20 procent van de Magna-aandelen bezat. De Rus had de aandelen gekocht met geleend geld, kwam in problemen en de westerse banken verkochten een jaar geleden zijn Magna-aandelen.

De woede in Duitsland is meer dan de angst dat er toch Opel-fabrieken dicht gaan. De redding door Magna en Sberbank was een kenmerkend voorbeeld van de regel: wie betaalt, bepaalt. De Duitse regering was de geldschieter en Duitse fabrieken en 50.000 Duitse banen zouden gespaard blijven.

Nu hebben de Amerikanen het heft weer in handen genomen. Ook zij zullen een beroep doen op Duitse staatsfinanciering, maar hoeveel invloed hebben de regering en de deelstaten dan nog? „Het is ook in het belang van Duitsland om een levensvatbaar Opel te hebben”, zei GM-directievoorzitter Fritz Henderson deze week. De belangen van de Duitse overheid en General Motors lopen parallel, voegde hij daaraan toen. Maar wel onder leiding van GM.

„Dit is het lelijke gezicht van het turbo-kapitalisme”, klaagde minister-president Jürgen Rüttgers (CDU) van Noordrijn-Westfalen, een deelstaat met een Opel-fabriek. In februari was hij nog in Detroit geweest om op het hoogste niveau bij GM te pleiten voor ‘zijn’ arbeiders en kiezers. En nu dit.

Maar ook het ‘reguliere’ Angelsaksische kapitalisme is, al langer, in Duitsland uit de gratie. Juist Duitse politici leidden de kritiek op financiële opkopers en hijgerige speculanten. Toenmalig SPD-chef Franz Müntefering noemde hen sprinkhanen. Bondskanselier Angela Merkel deed internationaal langdurig maar vergeefs pogingen om hedgefondsen beter onder controle te krijgen.

Op de vraag wie de Europese Opel-activiteiten zou overnemen uit het bankroet van GM had de regering-Merkel haar keus snel gemaakt. Niet de andere gegadigde, de investeringsmaatschappij RHJ International. RHJ is weliswaar gevestigd in Brussel, maar wordt (mede) geleid door een echte financiële opkoper, Timothy Collins. Hij verdiende een fortuin, sommigen zeggen 1 miljard dollar, door eind jaren negentig een gesneefde Japanse bank te kopen. De Japanse overheid nam de lasten, Collins en investeerders kregen de lusten.

Maar niet alleen de Duitse opvattingen zijn veranderd. De val van de Muur en de val van het communisme hebben Duitsland als economische grootmacht een centrale plaats gegeven in Europa. En van daaruit is Moskou dichterbij dan Washington. Duitsland warmt zich aan Russisch gas en aan Russische investeringen.

Afgelopen zomer verzekerde Merkel zich in een ontmoeting met president Poetin persoonlijk van een investering door zakenman Igor Yusufov, een Russische ex-energieminister, tevens commissaris bij energiebedrijf Gazprom, in twee failliete scheepswerven in voormalig Oost-Duitsland.

Gazprom is de leidende investeerder in Nord Stream, het Duitse bedrijf dat een rechtstreekse gaspijplijn aanlegt tussen Rusland en West-Europa. Ook de Duitse energiereuzen Eon en BASF/Winterhall en de Nederlandse Gasunie zijn aandeelhouders. De voorzitter van de aandeelhouderscommissie is Gerhard Schröder, de SPD-voorganger van kanselier Merkel. Goede relaties met overheden en staatsbedrijven zijn een pré, om te beginnen in energiezekerheid.