Olie op de beurs zit in de knel

Beursgenoteerde olieconcerns als Shell en BP moeten zichzelf opnieuw uitvinden. Toegang tot grote olievelden is niet meer zo vanzelfsprekend als voorheen.

Energieconcern Shell krijgt na 37 jaar weer toegang tot het olierijke Irak, net als het Amerikaanse Exxon Mobil, zo werd eerder deze week bekend. Maar of de bedrijven veel reden tot feesten hebben, valt te bezien.

Exxon Mobil en Shell mogen het op één na grootste olieveld in Irak ontginnen, genaamd West Qurna-1. Het heeft geschatte oliereserves van 8,7 miljard vaten. Maar die reserves mogen de bedrijven niet in hun boeken opnemen, zoals ze gewend zijn te doen. Het contract dat ze hebben getekend met het Iraakse ministerie van Olie is namelijk opgesteld als een servicecontract, waarbij ze betaald krijgen per opgepompt vat olie.

En er is nog iets: Exxon en Shell krijgen niet 4 dollar per opgepompt vat olie, zoals ze vroegen. Ze krijgen slechts 1,90 dollar. Meer wilden de Irakezen niet geven. Veel winst zullen Exxon Mobil en Shell niet boeken met het project, zo is de algemene verwachting.

Het schetst de veranderde verhoudingen in de energiewereld. De macht is verschoven in de richting van olierijke landen en nationale energiereuzen, zoals Saudi Aramco uit Saoedi-Arabië, Petro China uit China, en Petrobras uit Brazilië. Onderling doen deze nationale energiebedrijven steeds vaker zaken met elkaar. En het aantal overeenkomsten zal komend jaar alleen maar toenemen, zo meldde adviesbureau Deloitte deze week.

Dat is ten nadele van de vijf grote beursgenoteerde energieconcerns die decennialang de markt dicteerden – Exxon Mobil, Shell, BP, Chevron en Total. Zij krijgen moeilijker toegang tot de olie- en gasvelden in het Midden-Oosten, Afrika en de Kaspische regio. Ze moeten gedwongen uitwijken naar gebieden waar olie en gas zich lastiger laten winnen, en dus relatief duur zijn. Zoals de teerzanden in Canada en de ultradiepe wateren in de Golf van Mexico. En dat is niet alles.

Bedrijven als Shell en Exxon Mobil hebben meer concurrentie gekregen van grote dienstverleners in de sector, zoals het Franse Schlumberger. Ook voelen ze de hete adem in de nek van kleinere concurrenten die met een slankere organisatie makkelijker kunnen inspringen op marktveranderingen en goedkoper zijn in de uitvoering.

Het zijn allemaal redenen voor de grote, logge energieconcerns om hun koers te verleggen. „De oil majors zijn allemaal bezig zichzelf opnieuw uit te vinden”, zei energiedeskundige Sharad Goenka van de Britse investeringsmaatschappij 3i deze week tijdens een energiecongres in Amsterdam.

Ze proberen zich bijvoorbeeld te onderscheiden met nieuwe technologieën om op lastige plekken olie en gas te winnen. Ze concentreren zich meer en meer op het uitvoeren van reusachtige complexe projecten. Verder proberen ze hun organisatie af te slanken en te centraliseren, om sneller op veranderingen in de markt te kunnen inspringen. De economische crisis, en de ingezakte olieprijzen, hebben dat proces nog eens versneld.

Zo maakte Shell vorige week bekend nog dit jaar 5.000 banen te zullen schrappen. Het concern is onder leiding van de nieuwe bestuursvoorzitter Peter Voser versneld bezig het aantal divisies terug te brengen van vijf naar drie. In het hogere management zijn eerder dit jaar al 150 van de 750 banen gesneuveld.

Tot nu toe heeft het bedrijf met die reorganisatie een miljard dollar aan kosten bespaard.

Het Britse BP heeft zijn laatste grote reorganisatie, waarbij 5.000 banen werden geschrapt, net achter de rug. „Het ligt daarmee voor op de rest”, zegt analist Jason Kenney van ING via de telefoon vanuit Londen. BP heeft door die reorganisatie dit jaar tot dusver 3 miljard dollar (2 miljard euro) aan kosten bespaard. Ook Chevron maakte vorige week bekend 1,5 miljard dollar (13 procent) te hebben bespaard op de operationele kosten.

Shell loopt met zijn reorganisatie achter op de concurrentie, zegt Kenney. Maar de positie van het Brits-Nederlandse concern is volgens hem ook niet helemaal te vergelijken met die van de rest. Waar de concurrenten in de jaren negentig sterk uitbreidden, richtte Shell zich juist op efficiëntie. Er ging toen veel, met name technisch personeel uit. Pas in 2004, met het reserveschandaal, werd de strategie herzien. De reserves zijn sindsdien aangevuld, maar ze leunen sterk op de lastig te winnen teerzanden, waarop de marges gering zijn.

Intussen, zegt Kenney, werkt Shell aan een aantal reusachtige, technisch en commercieel zeer uitdagende projecten, die de kasstroom voor de lange termijn moeten garanderen. Vanaf 2011 verwacht Shell weer een groei van zijn olie- en gasproductie. Maar tot die tijd moet het wel enorme investeringen blijven doen, om de projecten af te krijgen. Omdat de inkomsten zijn teruggelopen, door de ingezakte olieprijzen, is Shell meer geld gaan lenen om projecten te financieren. De schulden zijn het afgelopen jaar snel opgelopen.

Het kan voor Shell waarschijnlijk niet snel genoeg 2011 worden.

En dan nog is het volgens Kenney maar de vraag of Shell tegen die tijd net zoveel waarde voor de aandeelhouders weet te creëren als de concurrentie.