Maan en appel in de woestenij

Een collega van mij, nu een briljante hoogleraar deeltjesfysica in Harvard, kan zich nog goed herinneren hoe hij als jongetje van zes ’s avonds in Teheran op straat liep, naar de volle maan keek en zich plotseling bezorgd afvroeg waarom deze niet naar beneden viel.

Echt een kleine Newton dus, ook al zal hij toen nog niet over de vallende appel gehoord hebben. Spelenderwijs nam hij een reuzensprong in de wetenschap, in de (correcte) veronderstelling dat de natuurwetten niet bij de dampkring ophouden en dat er daarom geen reden is waarom de maan aan de zwaartekracht kan ontsnappen. Inderdaad, welbeschouwd valt de maan ook, maar dan met een boogje om de aarde heen, eindeloos rondjes draaiend.

Maar er was een gevoel dat een nog grotere indruk op mijn aanstaande collega maakte: hij was de enige op straat die zich zorgen maakte over de zwevende maan. Alle anderen liepen onbezorgd rond te kuieren, terwijl ondertussen die maan precair aan de hemelkoepel hing. Ging dat wel goed? Waarom stelde alleen deze kleine jongen die vraag?

Jonge kinderen zijn geboren onderzoekers. Ze stellen vragen die volwassenen al lang vergeten zijn. Daarom is het zo belangrijk om vroeg aandacht aan de ontwikkeling van deze talenten te besteden. Nederland is wat dit betreft lange tijd een woestenij geweest. Op de basisschool werd van alles geleerd, maar niet waarom de appel wél en de maan níét recht naar beneden valt. Toch is het gemakkelijk te demonstreren: maak een tennisbal vast aan een elastiek. Trek aan de bal, laat los en je hebt de vallende appel. Slinger de bal rond en je hebt de vallende maan.

Sinds enkele jaren bloeien de eerste bloemetjes in de woestijn. Deze week is daar nog eens een grote plas water aan toegevoegd. Staatssecretaris Sharon Dijksma heeft aangekondigd structureel 15 miljoen euro per jaar aan de ontwikkeling van wetenschap en techniek op de basisschool te gaan besteden. Anders gezegd: de anderhalf miljoen leerlingen in het primair onderwijs zijn allemaal tientjeslid van de wetenschap geworden.

Met dit plan steekt Dijksma allen een hart onder de riem die gastlessen, stages, proefjes en tentoonstellingen organiseren. Want scholen en leraren kunnen het ook niet alleen. Geleidelijk heeft zich een wolk van sympathisanten gevormd die zich sterk maken voor wetenschap op school: universiteiten, pabo’s, bedrijven, gemeenten, science centers, media, naschoolse opvang en, niet te vergeten, de ouders thuis. Zo’n ingewikkeld netwerk is ook noodzakelijk, want het basisonderwijs bestaat verhoudingsgewijs uit vele ‘elementaire deeltjes’. Rekent u maar mee: 7.000 basisscholen, 700 vwo-scholen, 14 universiteiten en ten slotte 1 ministerie.

Als er één onderwerp is waar vernieuwing, onderzoek en innovatie nodig is, dan is dat in de omgeving van jonge kinderen die zich nog grotendeels moeten ontwikkelen. Zij zullen waarschijnlijk beroepen uitoefenen die nog bedacht moeten worden. Had u dertig jaar geleden begrepen wat een webdesigner is?

Het is goed dat in de Nederlandse plannen nadrukkelijk aansluiting wordt gezocht bij talentontwikkeling. Ik geef zo nu en dan natuurkundelesjes op een basisschool en iedere keer leef ik weer op van het enthousiasme van de kinderen. Maar ik zie ook veel talenten die niet worden aangesproken. Zo trof ik in een klas een jongetje aan dat met zijn bureautje tegen het bord was geparkeerd. Hij was letterlijk uitgerangeerd, een wagonnetje dat was losgekoppeld van de trein. Bij mijn lessen was hij echter steeds haantje-de-voorste, vooral als er een antwoord geschat moest worden. Waar de andere kinderen voorzichtig ‘honderd’ of ‘duizend’ probeerden, schreeuwde hij boven iedereen uit: “Een miljard!” En vaak was het nog raak ook. Hij deed precies wat ik bij mijn natuurkundestudie heb geleerd: doe nooit een berekening als je niet van te voren het antwoord kan schatten – een subtiele vaardigheid. Na een tijdje sprak zijn vader mij aan: zijn zoon was zó enthousiast, hij wilde graag met mij op vakantie. Dan konden we de hele tijd rekensommetjes doen! Dit verhaal heeft trouwens een mooi einde. Toen ik een tijd later vroeg hoe het met deze leerling was afgelopen, was het antwoord: Heb je het nog niet gehoord? Hij is selectief begaafd verklaard!

Tenslotte is er een aspect dat gemakkelijk over het hoofd wordt gezien: de internationale dimensie, in het bijzonder de Europese. Binnen de wetenschap is het een onafwendbare trend. Brussel wordt steeds belangrijker. Onderzoeksprogramma’s, inclusief de bijbehorende geldstromen, gaan zich steeds meer binnen Europa afspelen. Nationale zwaartepunten overleven alleen als ze ook boven het Europese maaiveld uitsteken. Deze ontwikkeling is al lang gaande. Vele wetenschappelijke contacten zijn zelfs eerder gelegd dan de diplomatieke. De Europese deeltjesversneller van CERN is daarvan een aansprekend voorbeeld.

Die internationalisering mag voor de wetenschap vanzelfsprekend zijn, voor het onderwijs ligt dat allemaal wat gevoeliger, zeker voor het primair onderwijs. Culturele en historische gevoeligheden maken het moeilijk om lesprogramma’s de landsgrenzen te laten overstijgen. De taalbarrières zijn aanzienlijk. De nationale identiteit is belangrijk en vaak zelfs leidend. Niemand moet er aan denken dat Brussel bepaalt wat er in de geschiedenisboekjes komt te staan.

Maar voor de natuurwetenschappen geldt dat veel minder. Culturele barrières zijn daar niet of nauwelijks te vinden. De zwaartekracht geldt niet alleen op de maan, maar ook in Polen of Italië. Sterker nog, de moderne proefondervindelijke natuurwetenschap is bij uitstek een Europese ontdekking, ontstaan in de revoluties van de zeventiende eeuw in een open dialoog tussen geleerden uit het gehele continent. Het is een van de weinige gemeenschappelijke delers van Europa. Juist de bevordering van wetenschap en techniek bij de jonge burgers van de Europese Unie zou een prachtig project zijn. Ieder land kan aansluiten bij de eigen prestaties en helden, van Copernicus tot Galilei. En de jonge lidstaten in Oost-Europa, waar ondanks alle problemen nog steeds uitstekende opleidingen en veel talent te vinden zijn, zouden een belangrijke rol kunnen spelen. Welke Europese minister gaat het hiervoor opnemen?

We kunnen niet vroeg genoeg beginnen om begrip en fascinatie voor wetenschap te ontwikkelen. Ik dacht dat ik daar laatst in familiekring bijzonder goed in was geslaagd, met wat hulp van buitenaf. Met ons gezin bezochten we namelijk een prachtige tentoonstelling in New York over de wonderen van het heelal. Onderdeel daarvan was een spectaculaire visualisatie van de oerknal. We bevonden ons in een pikdonkere zaal waar inderdaad een enorme harde knal afging, gevolgd door veel vuurwerk en lichtflitsen, majestueuze beelden van de uitdijende ruimte en de vorming van de sterrenstelsels. Diep onder de indruk verlieten ook mijn kinderen na die show de zaal.

Maar mijn jongste zoontje bleef toch met een vraag zitten. Die momenten voordat de oerknal afging, toen we in die donkere ruimte stonden te wachten, toen was er toch ook iets? We keken toch niet naar niets?

“Wat een geweldige vraag,” zei ik. “Wat was er voor de oerknal? Dat is nu precies waar papa de hele dag over nadenkt!”

Ik had mijn werk niet beter kunnen uitleggen. Eindelijk werd ik aan de keukentafel begrepen.

Totdat ik de volgende avond van mijn werk thuis kwam. “En”, zei mijn zoontje, “wat is het antwoord?”