In moordstad Juárez geeft dichter Ángel een dodentoer

Een poëzieavond in een café annex boekwinkel in Juárez verlicht even de drukkende atmosfeer in de door narco- geweld geteisterde stad.

Osvaldo Ogaz oogt als een Mexicaanse worstelaar in pak. Een forse man in een grijs jasje, donkergrijze pantalon en blauw overhemd met strepen. Zijn gezicht gaat verborgen achter zo’n kleurrijk masker dat de ‘Lucha Libre’ worstelaars van zijn land doorgaans dragen tijdens hun gevechten.

De grote man zit in een stoel op een klein podium, zijn linkerbeen voortdurend heen en weer wiebelend. Ogaz is dichter. Hij staat op het punt enkele van zijn gedichten voor te dragen. Locatie: Cafebreria S&L, een café en boekwinkel, in Colonia Margaritas in Ciudad Juárez.

Cafebreria S&L is een culturele oase, omringd door onontkoombare winkelcentra en Amerikaanse fastfoodketens. In het torenachtige gebouw, met verschillende niveaus en trappen, is een rijk aanbod van literatuur en muziek te vinden. Op een van de traptreden kan de bezoeker een stapel vergeelde exemplaren van de New York Review of Books tegenkomen.

Deze avond is een kleine groep poëzieliefhebbers bijeen om te luisteren naar de woorden van de gemaskerde poëet. Zijn inleider is Miguel Ángel Chávez Díaz de León, een andere, bekendere dichter en bekroond journalist. Ángel, een kleine man met panamahoed, spreekt lovend over zijn collega.

Ogaz leest onder meer voor uit zijn bundel, Poemas Niños, opgedragen aan zijn kinderen, maar die eveneens voor volwassenen is bestemd. Even lijkt de harde realiteit van de grensstad hier ver weg. Wijnflessen worden opengetrokken, de handen gaan enthousiast op elkaar voor de dichter. Maar ook Ogaz brengt, tussen zijn gedichten door, het onderwerp ter sprake dat iedereen in deze stad elke dag bezighoudt: het onophoudelijke geweld.

Júarez (1,5 miljoen inwoners) is een van de meest gevaarlijke steden van Mexico. Drugsbendes bestrijden er elkaar sinds 2006 zodanig dat er dagelijks doden vallen. En dan zijn er nog de talrijke onopgeloste vrouwenmoorden in de stad. Ondanks de aanwezigheid van tienduizenden militairen zijn dit jaar al bijna 2.000 mensen omgekomen.

Voor de buitenstaander is het niet eenvoudig te bevatten wat dat betekent. Natuurlijk, aanwijzingen zijn er genoeg. Om de vijf minuten scheert er wel een wagen met tot de tanden bewapende militairen voorbij. Hotels zijn zwaar beveiligd. Wegversperringen, vooral ’s avonds, zijn bijna normaal.

Om een beter begrip van de situatie te krijgen stelt dichter Ángel de buitenlandse gast een soort dodentoer door de stad voor. Een van zijn gedichten, ‘La Duquesa va de compras’, gaat over zijn geliefde woonplaats, stad van ‘politieagenten en moordenaars’. Zo staat hij de volgende dag met zijn auto voor het hotel. Echtgenote Ana rijdt, omdat het rechterdeel van Ángels lichaam na een beroerte niet meer optimaal functioneert.

Eerst rijdt Ana op aanwijzing van haar man naar het oude centrum. Via Avenida Lerdo naar 16 de Septiembre, daarna de Avenida Juárez op, de weg naar de grens met het Texaanse El Paso. Het centrum is in verval door de drugsoorlog. Oude afgetakelde gebouwen. Gesloten nachtclubs. Een hotel met kapotte ramen dat Diamante heet. De auto schiet door Calle Ugarte. „Hier zijn veel vrouwen verdwenen. Die gingen hier uit na het werk en zijn vermoord.”

Dan komt een arme buurt voorbij, Alta Vista. Een wijk waar regelmatig doden vallen. Buiten de stad, langs een weg met een Christusbeeld en waar het landschap kaal en droog is, wijst Ángel een plek aan waar zes vrouwenlijken zijn gevonden. Even verderop ligt een andere wijk, met op de achtergrond een berg met verschillende witte kruizen. „Daar zijn ook vermoorde vrouwen aangetroffen.”

In een ander deel van de stad, waar de straten breed en de winkels chique zijn, dist Ángel nog meer gruwelijkheden op. Op een hoek van de brede Avenida met een andere straat waren dit jaar nog twee mannenlijken opgetuigd, met varkensmaskers op hun hoofd. Een van de vele afrekeningen in het drugscircuit.

Vlak bij deze onheilsplek ligt overigens een bureau van de gemeentepolitie. Buiten het bureau wemelt het nu van de militairen. Hij zegt: „Narcocriminelen hebben in het verleden hier zeven agenten overhoop geknald.”

Hoe diep verankerd de criminele cultuur is in de stad, blijkt ook als de auto door Campestre, de woonwijk van de rijken, tuft. Een van de vrijstaande villa’s bleek lange tijd onderkomen geweest te zijn van enkele leden van een drugsbende. Zonder problemen.

De lijst met plekken met vermoorde mensen is eindeloos. Ángel kent ze bijna allemaal, omdat hij er als journalist over schrijft en heeft geschreven. „Het is heel triest wat er in deze stad gebeurt.”

Liever verhaalt Ángel over Osvaldo Ogaz, de dichter die zó van het Mexicaanse worstelen houdt dat hij gemaskerd zijn poëzie voorleest. Ooit heeft Ogaz zelfs in een ring zijn gedichten voorgedragen, totdat gemaskerde worstelaars hem eruit gooiden. Zo vonden poëzie en Lucha Libre elkaar op een onverwachte plek.