Ideale propaganda tegen het kapitalisme

Na de val van de Muur kwam er een einde aan de DDR. Ondanks het gebrek aan vrijheid denken velen in het voormalige Oosten met weemoed terug aan de sportieve glorietijd.

Vol bewondering sprak een fietsenmaker in het oosten van Berlijn afgelopen zomer Sijtje van der Lende (59) aan. „U heeft toch ooit de Dynamo Cup gewonnen?” De Nederlandse oud-schaatsster, nu coach van China, kon het niet ontkennen. „In 1976 was het, in die jaren was de Dynamo Cup een groot evenement. Oost-Berlijn, schitterend sportcomplex, snel ijs, tientallen DDR-schaatsers deden mee. En allemaal in topvorm, want ze moesten de seizoensopening winnen van de buitenlandse toppers. Tot eer en glorie van hun land. Je maakte indruk als je daar won. Die fietsenmaker wist het nog steeds.”

Overal in de Duitse hoofdstad wordt dezer dagen gevierd dat twintig jaar geleden de Muur viel tussen Oost en West. Van een concert van rockband U2 aan de Brandenburger Tor tot een Trabi-Safari door de straten, een nostalgische optocht van de auto die symbool staat voor de voormalige Deutsche Demokratische Republik. En in het Berliner Sportforum in de wijk Hohenschönhausen, in het oostelijk deel van de stad, een wereldbekerwedstrijd voor schaatsers. Zoals vroeger de Dynamo Cup.

„De DDR was het meest succesvolle sportland ter wereld”, stelt Stephan Gneupel, sinds 1985 schaatscoach van onder meer Gunda Niemann, de beste schaatsster aller tijden.

Cijfers? Van de krap 17 miljoen inwoners deden er in 1989 3,7 miljoen aan sport, georganiseerd in de Deutsche Turn und Sport Bund (DTSB). Vanaf de oprichting in 1949 behaalde de DDR 747 Europese kampioenschappen, 768 wereldtitels en 572 olympische medailles (203 goud, 192 zilver, 177 brons). „De DDR heeft laten zien wat je kunt bereiken met een gedegen opbouw van onderaf”, zegt Volker Kluge, perschef van de DDR-ploeg bij de Spelen van Seoul 1988, nu publicist in Berlijn.

‘Deutsche Doping Republik’, smaalde het Westen. De successen zouden te danken zijn aan het spierversterkende middel Oral-Turinabol, van staatswege verstrekte blauwe pilletjes (codenaam ‘plan 14.25’). Na de eenwording werden verantwoordelijken vervolgd. Jaloezie, vinden velen in het oosten van Duitsland nu nog. „Over doping kun je alleen zinvol discussiëren in internationaal verband”, zei Hans Modrow, lid van het centraal comité in de DDR en nu parlementslid voor de communistische PDS, onlangs in de documentaire Die Goldmacher, Sport im DDR op tv-zender Arte.

Alsof West-Duitsland of de VS brandschoon waren. Of Nederland. „Het succes van onze schaatsster Karin Kania was zogenaamd doping”, sneerde wielertrainer Peter Becker (opleider van Tourwinnaar Jan Ullrich) in 1997 in Sport International. „Yvonne van Gennip, die haar versloeg in 1988? Geen doping. Natuurlijk.”

Vanaf de oprichting had sport prioriteit in de DDR. In Leipzig werd in 1950 de Deutsche Hochschule für Körperkultur geopend, die toonaangevend werd in de wereld. In eerste instantie was sport een uitstekend middel om de jeugd te bereiken en de gezondheid te stimuleren. Bokser Wolfgang Behrendt (olympisch goud in 1956) en wielrenner Täve Schur (tweemaal winnaar van de belangrijke Vredeskoers) waren de eerste idolen. „De massa was begeistert door sport”, zei Schur in de documentaire.

Zeker na de bouw van de Muur in 1961 zagen de machthebbers sportsuccessen als ideale propaganda in de strijd tegen het kapitalistische westen. Aanvankelijk mocht de DDR bij wedstrijden geen eigen vlag en volkslied hebben. Schur: „Dat heeft een woede in ons aangewakkerd die de prestaties alleen maar bevorderde.”

Intussen perfectioneerde de door Manfred Ewald geleide DTSB de jeugdopleiding. Kinderen van acht tot twaalf jaar kregen op school atletiek, turnen en zwemmen. De besten mochten daarna intern op de Sportschule, een complete opleiding tot topsporter. Trainers, artsen, koks, sportwetenschappers, psychologen, fysiotherapeuten, cameramensen: het ontbrak de jonge talenten aan niets. Hoogtepunt van het jaar was de Spartakiade, een soort Olympische Spelen waaraan honderdduizenden DDR-jongeren meededen.

In Kienbaum, in de bossen bij Berlijn, bouwde de DDR onder de grond in het diepste geheim de allereerste onderdrukkamer ter wereld, om hoogtetraining te simuleren. „Nu heeft elke topvoetbalclub zoiets”, lacht Gneupel. Voor de Spelen van 1972, in het ‘vijandelijke’ München, werd een kopie van de wildwaterbaan gemaakt. Resultaat? Vier keer goud voor de DDR. „De West-Duitsers wilden ons verrassen met aparte stromingen”, zei een medaillewinnaar bij Arte. „Ze wisten niet dat wij daar al maanden op hadden getraind.”

Succesvolle topsporters hadden privileges in het arme Oost-Duitsland. Huis, auto, reizen naar het buitenland. Partijleider Erich Honecker omringde zich graag met socialistische winnaars, zoals atlete Heike Drechsler of kunstrijdster Katarina Witt. Maar er was een keerzijde. Geheime dienst Stasi controleerde alles, ook de sport. „Ik stond als atletiektrainer in hoog aanzien”, zegt Gneupel. „Tot een pupil naar het buitenland vluchtte. Toen werd ik voor straf overgeplaatst naar het schaatsen.” In veertig jaar ontvluchtten zeshonderd topsporters de DDR.

Ook de sportkeuze was niet vrij. „Ik wilde graag volleyballen, maar was te klein”, vertelt Niemann. In 1969 hadden de DDR-machthebbers bovendien het Leistungssport-besluit genomen. Er werd alleen geïnvesteerd in olympisch interessante sporten. „IJshockey kon één medaille opleveren”, zegt Gneupel. „Die sport werd geschrapt, alles ging naar het schaatsen. Daar hebben we goed mee gescoord.”

Vanaf 1980 haalden de DDR-vrouwen 23 van de 39 olympische schaatsmedailles. Van de 22 WK’s won de DDR er 19, acht van de tien EK’s waren voor de blauwe brigade. Bij de mannen was er in 1988 olympisch goud voor Uwe-Jens Mey en André Hoffmann. Gneupel: „Schaatsen is het beste bewijs dat de DDR-aanpak loonde.”

Inmiddels is er weinig over van het DDR-sportsysteem. „Zonde”, treurt Gneupel. „Het was niet foutloos, wel succesvol”, oordeelt Schur. De ijsbaan in Berlijn is nu overdekt en de Dynamo Cup heet wereldbeker. „Toch proef je hier de typische sportsfeer van vroeger”, zegt de Tsjechische oud-schaatser en oud-ijshockeyer Petr Novak (61), die nu als coach successen viert met stayer Martina Sablikova. „Ik kom hier al sinds 1967. Voor ons uit het Oostblok was ‘Berlin’ een hoogtepunt. Ook al won de DDR altijd.”