Het verderfelijke van toezichthouders

Het ziet ernaar uit dat de DSB Bank ver voordat Pieter Lakeman met zijn strafexpeditie begon, in de gevarenzone verkeerde, en dat De Nederlandsche Bank (DNB) al maandenlang bezig was met een regime van verscherpt toezicht.

„Maar waarom hebben jullie niet gewaarschuwd”, klinkt het verwijt van spaarders die, gelokt door hoge tarieven voor achtergestelde deposito’s, een paar weken eerder nog hun geld bij DSB hadden gestald en het nu niet terug kunnen krijgen. En ook de AFM, de Autoriteit Financiële Markten, heeft niets gezegd. „Jullie hielden toezicht, dan moet je ook maar opdraaien voor onze schade”, is de boze reactie.

DNB houdt toezicht op het bankwezen, maar doet dat ten dienste van de nationale economie, niet voor afzonderlijke spaarders. Over individuele banken kan zij nooit iets ongunstigs zeggen. Dat zou leiden tot een stormloop op diezelfde bank en een zichzelf vervullende profetie opleveren. Op het briefpapier en boven de hoofdingang van DNB hoort in grote letters te staan: ‘Uitspraken over de soliditeit van banken zijn alleen geldig voor zover zij solide zijn’. Dat is net zoiets als zeggen ‘Ik lieg nooit, ook nu niet’. Uitspraken over de soliditeit van banken zijn van invloed op hun soliditeit. Wie ernaar vraagt, krijgt de waarheid als antwoord wanneer er niets aan de hand is, en onontkoombaar een leugen als er problemen zijn. DNB heeft er ervaring mee, ook als gedupeerde. Op 21 september 1931 liet Engeland de waarde van het pond sterling met 30 procent zakken door de koppeling met de goudprijs los te laten. Een paar dagen tevoren nog had de toenmalige president Vissering van DNB bij zijn Engelse collega geïnformeerd of het wel goed zat met de zeer aanzienlijke pondentegoeden van de bank. Hij kreeg een onvoorwaardelijk gunstig antwoord, en zo verloor de bank door de devaluatie zijn hele vermogen. Dus als het gaat om niet jammeren als je je geld kwijt bent, heeft DNB recht van spreken. Ook toen al was er geen substituut voor zelf nadenken en je eigen oordeel vormen.

De Nederlandsche Bank is er om de soliditeit van het bankwezen te bewaken, niet om roekeloze spaarders uit de wind te houden. Eeuwenlang gold bij commerciële transacties het principe caveat emptor, ‘koper pas op’. Een gegeven paard moet je niet in de bek kijken, maar wie een paard koopt en het gebit niet controleert op gezondheid en conditie, is een sukkel. Die moet met de gevolgen van zijn onbenul leven. Wat geldt voor de aanschaf van paarden, geldt ook voor spaaraanbiedingen. Dom zijn kost geld. Maar van fouten kun je leren.

Dan moet je wel de kans krijgen je vingers te branden als je aan de kachel zit. Maar we zijn zo bang geworden voor allerlei soorten schades en pijntjes dat we het hele economische leven hebben vol gezet met toezichthouders en waakhonden. Naast een Autoriteit Financiële Markten hebben we een autoriteit voor mededinging, voor zorg, voor voedsel en waren, voor post en telecommunicatie, voor emissie, anti-doping en nog een heleboel meer. Met zijn allen laten ze ons geloven dat risico’s en gevaren bezworen zijn. Zo kunnen we domme dingen doen en bij pappie en mammie komen blèren als het fout gaat.

‘Consument is vaak financieel ongeletterd’ stond er boven een krantenartikel deze week naar aanleiding van een rapport van CentiQ, een platform van de financiële sector, overheid en consumentenorganisaties. En: ‘Overheid wil de consument weerbaar maken’. Voor zover de overheid al een rol heeft als opvoeder, zou zij eens moeten denken aan de pedagogische waarde van niets doen en vingers laten branden. Al die autoriteiten en toezichthouders vertegenwoordigen een moral hazard, niet door wat ze doen maar doordat ze er zijn. Zij leveren de suggestie dat zij zullen opletten, en lokken daardoor riskant gedrag uit. Wie in de buurt van de kachel komt, krijgt een knuffel en een snoepje, en probeert het later nog een keer.

Moral hazard duidt op situaties waarin iemand de opbrengsten van riskant gedrag zelf mag houden en de schade bij een ander kan deponeren. We hoorden er voor het eerst van in verband met Amerikaanse bankiersbonussen, maar ook Nederlandse hypotheekverkopers blijken er wat van te kunnen. En DSB-leners en spaarders dus ook al. ‘Moreel risico’ is de gebruikelijke vertaling, en dat klopt voor de maatschappelijke kant van de zaak. Aan de kant van de betrokken personen geeft ‘moreel bederf” beter weer wat er aan de hand is. We houden op zelf verantwoordelijkheid te nemen voor ons handelen. Om het bij de financiële sector te houden, het enkele bestaan van de AFM, De Nederlandsche Bank en het depositogarantiestelsel, dat avontuurlijke spaarders schadeloos stelt voor omvallende risicobanken, leidt tot moreel bederf. Er is te veel zoetigheid, te weinig kans om vingers te branden.

We zijn bezig een volkje van jammeraars en huilebalken te worden. Mammie overheid heeft daar een belangrijke rol in gespeeld door gejengel te belonen met aandacht en vaak ook met geld. Bij ontregelde gezinnen kan een supernanny de scheefgelopen verantwoordelijkheden weer rechtzetten, bij een heel volk is zulke hulp van buiten niet beschikbaar. We zullen het zelf moeten doen.

Er is één hoopvol teken in deze barre tijden. Dirk Scheringa, de oprichter en eigenaar van de inmiddels failliete DSB groep, werd voor het publiek binnen een paar weken van schurk en struikrover tot volksheld. Het geheim? Hij was de grootste verliezer in het verhaal, maar bij al het gekrakeel jammerde hij niet, schoof geen verantwoordelijkheid af. Kennelijk kunnen we een rechte rug nog waarderen. Scheringa als rolmodel, het kon slechter. Niet alleen toen het hem nog voor de wind ging, ook nu het hem tegenzit.