Grijsberen zijn beige

Een mannetjesleeuw en een vrouwtjesleeuw krijgen kleine leeuwtjes. En een hengst en een merrie krijgen veulens. Logisch. Maar soms kruist een exemplaar van de ene diersoort het pad van een andere diersoort en als ze het goed met elkaar kunnen vinden, komen daar dan toch kinderen van. Dat heet daarom een kruising. Ze moeten wel al een beetje op elkaar lijken. Dus een tijger en een leeuw kunnen een lijger maken en een schaap en een geit schattige scheitjes. Probeer maar eens na te gaan welke ouderdieren het volgende kind hebben: walgoeroe, kikkamander en een mantel-van-gent.

IJsberen en grizzlyberen – grizzly kun je best vertalen als “griezelig”, zo groot zijn ze – komen elkaar ook soms tegen, aan de grens van hun leefgebieden, tussen de ijzige wereld van de Noordpool en de eeuwige bossen van de toendra. Omdat het in het hoge noorden heel koud en eenzaam kan zijn, kruipen die twee soorten soms tegen elkaar aan. Dan krijg je grijsbeertjes.

Daarvan zijn er niet veel – grizzly’s en ijsberen zijn zeldzaam. Dus om die nader te bestuderen is heel moeilijk. Maar in een Duitse dierentuin zijn er twee geboren doordat deze zoo de twee soorten in één kooi hield.

IJsberen hebben harige pootzolen, want dan trekt het ijs niet zo kil op. Grizzlyberen hebben blote pootzolen. En hoe zien die van de grijsberen eruit? Jawel: een beetje behaard. De rest van hun beige gevlekte vacht is ook interessant. IJsberen hebben holle haartjes. Dat is warmer, precies zoals dubbele beglazing warmte beter vasthoudt. Grizzly’s hebben dichte haartjes, of met slechts kleine holtes. De grijsberen hebben op hun poten dichte haren, maar op hun rug holle. Misschien kunnen grijsberen zo én op de Noordpool én in het oerbos hun kostje bij elkaar scharrelen. Menno Steketee