Expertdiscussie

Kunstwereld moet ook toezichthouders krijgen

Op 27 oktober vernietigde de Amsterdamse rechtbank de negatieve subsidiebeslissing die het Fonds voor de Podiumkunsten eerder nam over het subsidieverzoek van de Theatercompagnie van Theu Boermans. Bij zijn beslissing gaat het Fonds af op de oordelen van collega’s van Boermans, die als deskundigen bij uitstek geacht worden een kwalitatief oordeel te vellen over de artistieke plannen van Boermans.

De rechter stelde vast dat aan het elementaire beginsel van onpartijdigheid van de leden van de adviescommissie niet was voldaan. Eén van de adviseurs had namelijk zelf een subsidieverzoek ingediend bij hetzelfde Fonds en daarmee de schijn van belangenverstrengeling tegen zich.

Uit de verbaasde reactie van directeur George Lawson van het Fonds blijkt vooral dat het niet om een incident gaat. De directeur gaat in beroep bij de Raad van State, omdat deze uitspraak „grote consequenties heeft voor het hele subsidiesysteem in de kunstwereld”.

Niet alleen is belangenverstrengeling bij het Fonds de gewoonste zaak van de wereld, maar ook acht het Fonds beginselen van behoorlijk bestuur en onpartijdigheid ondergeschikt aan subjectieve, geheime advisering over het al of niet voortbestaan van kunstbedrijven.

De vlucht naar voren die het Fonds nu aankondigt lijkt mij om meerdere redenen onverstandig. Ook het Fonds zal tot het inzicht moeten komen dat zijn advies- en beslispraktijk ernstige gebreken vertoont.

Nu op bijna alle maatschappelijke terreinen een toezichthouder is aangesteld, doet zich de vraag voor of dat niet hoog tijd wordt voor de beslissingen van de fondsen en raden. Daarmee kan dan in ieder geval aan het bezwaar van mogelijke belangenverstrengeling tegemoetgekomen worden.

Steve Austen

Cultuurondernemer en publicist, was vicevoorzitter van de Amsterdamse Kunstraad en lid van het bestuur van de Raad voor de Kunst.

Maak Balkenende een echte president in eigen land

Nu het Verdrag van Lissabon in werking treedt en de verdeling van posten zoals de ‘president’ van de Europese Raad en Hoge Vertegenwoordiger voor het Buitenlandbeleid haar ontknoping nadert, moet vooruit worden gekeken naar de consequenties voor de lidstaten. Hier doemt een groot probleem op voor Nederland.

De positie van de voorzitter van de Europese Commissie binnen het College is de afgelopen jaren sterker geworden. Tezamen met de voorzitter van de Europese Raad zullen deze voorzitters – ‘presidenten’ in het jargon – veel gezamenlijk moeten optrekken.

Om op dit topniveau mee te draaien, zal de positie van de Nederlandse premier navenant moeten meegroeien. Dit vereist een opwaardering van de positie van de premier en zijn ministerie van Algemene Zaken. Het gaat hierbij niet om de aloude vraag of onderdelen van het ministerie van Buitenlandse Zaken naar Algemene Zaken moeten.

Het niveau van de discussies in de Europese Raad en met de Commissievoorzitter vereist een sterkere betrokkenheid van de minister-president bij onderwerpen als financiën, milieu, landbouw en transport. Als Barroso of de nieuwe ‘president’ van de Raad belt over de financiële crisis, dan mag de premier zich niet verschuilen achter zijn beperkte competenties of coalitiegevoeligheden.

Het Nederlandse primus inter pares model lijkt daarmee toe aan een grondige herziening.

Adriaan Schout Mirte van den Berge

Hoofd, respectievelijk wetenschappelijk medewerker, van het Clingendael European Studies Programme.

Dit zijn delen uit langere expertdiscussies, te lezen via nrc.nl/expert.