'Europa' zal wel altijd sisyfusarbeid blijven

De herfst van 1989 was hét jaargetijde van de tweede helft der twintigste eeuw. Tussen de vrije verkiezingen in Polen (juni) en de gewelddadige omwenteling in Roemenië (december) werd achter het IJzeren Gordijn in Europa het regerende communisme opgeruimd. De sisyfusarbeid, zoals de dissidente voorman Havel het democratische verzet ooit noemde, was niet voor niets geweest.

De beelden die zich in het geheugen hebben vastgezet, variëren van de Hongaarse premier Horn die het prikkeldraad aan de grens met Oostenrijk doorknipt tot de nieuwe Tsjechoslowaakse leider Havel die de Rolling Stones op het balkon van het paleis in Praag ontvangt. Maar het meest beklijft de vreedzame bestorming van de Muur in Berlijn. In die nacht van 9 op 10 november 1989 kwam niet alleen een einde aan de deling van Duitsland en Europa, maar werd ook de basis gelegd voor nieuwe mondiale verhoudingen.

Dat laatste werd toen niet altijd op waarde geschat. De vreugde over dit slotakkoord van de Koude Oorlog was zo groot dat scepsis over de ‘overwinning’ soms als defaitisme werd afgedaan. Dat lag overigens voor de hand. Waren zowel de politici als de massa’s toen omzichtiger te werk gegaan, dan zou er van de fluwelen revoluties minder terecht zijn gekomen. Alleen door de voldongen feiten op straat werden in 1989 politieke doorbraken gerealiseerd.

Maar in die vreugde over de overwinning op het communisme zijn wel wat schaduwzijden over het hoofd gezien. Daarvoor is soms een hoge prijs betaald. De afscheidingsoorlogen in voormalig Joegoslavië (1991-1999), waar de rest van Europa geen antwoord op had totdat Amerika intervenieerde, zijn het bloedigste voorbeeld. Het autoritaire karakter van het bewind in Rusland, dat na 1989 territoriaal werd gedecimeerd – zij het iets minder gewelddadig dan op de Balkan – staat evenmin los van de frustraties die toen zijn gezaaid. De val van de Muur bleek ook buiten Europa niet de dag waarop de laatste slag in de ideeënstrijd was geleverd en de geschiedenis ten einde kwam. Nieuwe tegenstellingen doken op. Na 11 september 2001 klonk het woord oorlog weer op mondiale schaal: ‘the war on terror’.

Maar de Europese naties zijn de afgelopen twee decennia wel onder steeds democratischer verhoudingen naar elkaar toe gegroeid. De EU strekt zich nu uit van Lissabon tot Tallin en Sofia. Teleurstellingen zijn niet uitgebleven: nu eens doorkruisen nationalisme en xenofobie de samenwerking, dan weer doet corruptie haar ontwrichtende werk. Maar nimmer hebben deze spanningen de vrede weer op de proef gesteld. De scheiding van Tsjechië en Slowakije in 1993 was een eerste lichtend voorbeeld, dat haaks stond op het geweld dat toen de Balkan, Kaukasus en Moldavië al teisterde.

Ook daarna bleef Europa, ondanks tegenslagen, op het spoor dat in 1989 was uitgezet. Bij de herdenking in Berlijn kunnen de aanwezigen dus niet alleen mijmeren over die glorieuze dag twintig jaar geleden. Ze kunnen ook vooruitdenken over een Europa dat, met het Verdrag van Lissabon, een nieuwe fase ingaat en voor talloze onderdrukte burgers elders in de wereld perspectief biedt.

In een vraaggesprek met het Duitse blad Internationale Politik zegt Havel: „Het lot van Sisyphus treft ons opnieuw.” Dat hoeft niet erg te zijn. Het oogt zinloos om een steen de berg op te rollen, maar het is soms eervol werk. Als er iets in 1989 is gebleken, dan is het dat.