'Erotiek is het belangrijkste in ons leven'

Erwin de Vries verruilde de zandwegen van Paramaribo voor de Rijksakademie in Amsterdam. Zijn beelden en erotische schilderijen zijn uitermate succesvol.

„Mijn werk ontstaat terwijl ik bezig ben”, zegt de schilder en beeldhouwer Erwin de Vries. „Dat is mijn kracht. Net als een kind kan ik het laten gaan.” Erwin de Vries (Paramaribo, 1929) is het bekendst van het Nationale Slavernij Monument dat sinds 2002 in het Oosterpark in Amsterdam staat. Sinds de jaren vijftig is hij een uiterst productief en succesvol kunstenaar met exposities over de hele wereld en met werk in de collecties van het MoMA, Rijksmuseum en Stedelijk.

In de Kunsthal in Rotterdam is deze maand nog de grote overzichtstentoonstelling Ode aan de vrouw te zien die daarna op 21 december opent in het Surinaams Museum in zijn geboorteland. Het is een tentoonstelling met zo’n honderd schilderijen die bijna allemaal vrouwen in meestal erotische bewegingen laten zien. Zijn beelden zijn vaak juist heel mannelijk. Wie over de expositie in de Kunsthal wandelt valt het op in hoeveel verschillende stijlen hij heeft gewerkt. „Ik heb me nooit gehouden aan pop art of abstract of zus of zo, ik heb alles gemaakt.”

Waar komt het werk op de expositie vandaan?

„Het meeste is van mij, maar ik heb ook van de Surinaamse Bank en andere collecties geleend. Ik werk vlot en makkelijk zodat ik altijd veel in voorraad heb, hier in Holland en in Suriname.”

Waar bewaart u uw werk?

„Dat is een probleem. In Paramaribo heb ik airco-ruimtes, want in de tropen moet je altijd oppassen met die vochtigheid.”

Bent u bekend in Suriname?

„Het grootste probleem is dat een land als Suriname geen begrip heeft van wat ik doe. Het is toeval dat iemand uit het oerwoud in de top van de kunst in Nederland gekomen is. Dat gebeurt eens in de 100 jaar. Niemand verwacht dat mensen uit Paramaribo twee keer in het Stedelijk exposeren en nu in de Kunsthal. Niemand heeft zoveel beelden voor Amsterdam gemaakt als ik.”

Kunt u leven van uw werk?

„We leven al lang heel ruim van mijn werk. Dat schijnt maar twee procent van de kunstenaars te lukken. Wim Pijbes zei bij de opening in de Kunsthal dat ik een eigen baan door de kunst van Europa heb getrokken, weliswaar in het begin onder invloed van Cobra, maar ik heb Cobra op een hoger niveau gebracht. Corneille, Appel, Rooskens waren goed bezig en kwamen met iets nieuws, maar ik had de tekenvaardigheid. Zij waren niet in staat om ook maar de meeste essentiële dingen van een vrouw te tekenen.”

Maar Appel had toch ook academie gedaan?

„Hij was een van de slechtsten van de klas.”

Waar heeft u tekenen geleerd?

„Voor ik naar de Rijksakademie ging heb ik de MO-akte Tekenen gehaald. Daarvoor moest je heel realistisch en anatomisch verantwoord tekenen. In Suriname heb ik als kleine jongen van 10, 12 jaar al veel getekend. Dan merk je dat je de beste in de klas bent. Ik verwaarloosde de andere vakken op school en heb nooit een diploma gehaald. Ik werd domme Erwin genoemd. Mijn vader was de bekende zakenman H.J. de Vries en mijn tekenleraar Wim Bos Verschuur zei tegen hem dat ik met mijn talent naar Holland moest. Maar vader wilde geen geld uitgeven aan een jongen die niet kon leren. Uiteindelijk ben ik in 1949 toch op de boot gezet naar Den Haag voor de MO-akte.

„Daarna ging ik terug naar Suriname als tekenleraar, maar ik vond dat zo’n lullig beroep dat ik na vier jaar ben opgehouden. Ik had maar één ding in mijn hoofd: schilderijen maken. Toen ben ik naar de Rijksakademie in Amsterdam gegaan, in 1958. Na de academie had ik binnen vier weken een tentoonstelling bij een galerie op de Prinsengracht. In café Reijnders ontmoette ik een jongen uit Jamaica en die wist een galerie daar. Ik ben gegaan, ook omdat ik niet tegen de winters van hier kan. In het voorjaar kwam ik met geld terug. Ik ging later naar Mexico, Brazilië, Florida, de Antillen en in de zomers vaak naar Scandinavië. Ze waren overal gek op mijn werk.”

Wat spreekt al die mensen in al die landen aan?

„Ik zou het niet weten. Ik kan mijn werk niet analyseren. Ik heb geen zin om me in een hokje te plaatsen. Ik heb alles gedaan, als het maar sterk was. Als ik een doek voor me heb weet ik niet wat het gaat worden. Met beelden ook, ik begin zo’n beetje te doen en dan denk ik ‘hé dat is leuk’ en dan houd ik dat vast. Misschien zullen ze er over vijftig jaar eindelijk achter komen dat ik een heel apart kunstenaar was, zoals Gauguin die op Tahiti iets eigens gemaakt heeft.”

Waarom verft u zo veel met blauw?

„Ik verf met wat er is! Als het blauw op is wordt het rood en als het rood op is wat anders. Ik heb het kinderlijke altijd in mij gehad en zoveel mogelijk vastgehouden. Dat is wat Cobra zocht en nooit gevonden heeft. Ik denk nooit na, want kunst is iets van gevoel. Nu op mijn tachtigste vinden ze nog altijd dat ik iets kinderlijks heb. Nieuwe auto, mooie auto, zegt me niets. Ik houd van heel andere dingen in het leven.”

Van wat dan?

„Ik ben ontzettend erotisch ingesteld heb ontzettend veel vrouwen bestudeerd. Ik heb veel filmpjes gemaakt omdat het voor mij een enorme kick is om vrouwen te zien vrijen. Lesbisch of homo is onzin in het leven, want in principe is iedere mens biseksueel. Ik ben erachter gekomen dat het vrijen van twee vrouwen heftiger is dan tussen een man en een vrouw. Daar heb ik me heel veel mee beziggehouden. Die filmpjes vond ik interessant en je kon je er lekker op aftrekken. Ik zeg de dingen zoals ze zijn. Erotiek is het belangrijkste in ons leven. Als dat ophoudt houden wij ook op te bestaan. Dat heb ik in mijn kunst gebruikt als uiting.”

Bent u in Suriname de enige kunstenaar?

„Toen ik begon was ik met nog twee anderen, Stuart Robles en Rudi Getrouw. Zij zijn tekenleraar gebleven en ik ben naar de Rijksakademie gegaan. Net als in Europa zijn er in Suriname veel talenten, maar talent alleen is niet voldoende. Je moet iets brengen dat typisch van jou is.”

Was er in Paramaribo destijds een museum of galerie?

„Er was helemaal geen voorbeeld, niets. In Paramaribo had je in die dagen nog geen knipperlicht, alleen maar zandwegen. In mijn familie of omgeving deed niemand wat met kunst.”

Waarom bent u beelden gaan maken?

„Omdat ik er goed in ben. Joop den Uyl heeft twee keer drie kwartier voor me geëxposeerd en het Rijksmuseum heeft het aangekocht. Ik heb ook beelden gemaakt van Simon Carmiggelt, Willem Sandberg en Ivo Opstelten, en nog veel meer mensen. Ik kan in het Guinness Book of Records: ik maak een goeie kop in een uurtje en verkoop die voor 18.000 of 20.000 euro. De opdracht voor het grote Slavernij Monument heb ik van negen man gewonnen. De meeste kunstenaars doen drie, vier maanden over zoiets en ik was binnen twee weken klaar. Het ontwerp heb ik in klei op een middag tussen drie en vijf uur gemaakt.”

U heeft dat niet verder bijgewerkt?

„Bijwerken? Dat ken ik niet. Toen ik de opdracht kreeg heb ik het in het groot gemaakt.”

Er zit een verhaal in?

„De opdracht was om het verleden van de slavernij en het heden en de toekomst te behandelen. Van het verleden heb ik een geketende slavengroep gemaakt, van het heden een slaaf die vrijkomt en het grote ding is de toekomst: de vrijheid in het geloof dat we ooit helemaal vrij zullen komen van discriminatie.”

Had het beeld in het Oosterpark eigenlijk niet groter moeten zijn?

„Ja, dat vind ik ook. Het had ook een mooiere plek kunnen krijgen. Het is nu een beetje in een hoekje gedouwd. Er zijn in het park van die mooie stukken waar het veel sterker zou werken, maar dat hebben ze me niet gegund. Ik neem ze dat niet kwalijk want mensen moeten eraan wennen dat een zwarte man plotseling geweldige dingen doet. Vroeger dacht ik daar nooit aan, maar nu als oude man terugkijkend denk ik: wat jij gepresteerd heb is niet mals.”

U heeft in september het Ereteken van Verdienste van Amsterdam ontvangen?

„Volgens wethouder mevrouw Gehrels de hoogste onderscheiding die ze geven.”

Er staat ‘Surinaams’ kunstenaar op de onderscheiding. Is dat belangrijk voor u?

„Alleen in zoverre dat het nog wel even zal duren voor weer een Surinamer zoveel drive en talent heeft.”

In de jaren vijftig op de academie was u waarschijnlijk de enige kleurling. Hoe was dat?

„In die dagen werd je juist vertroeteld. Pas toen de grote stroom naar hier kwam, zaten daar natuurlijk criminelen bij, want ieder land heeft criminelen. Daardoor kregen we een slechte naam maar dat is gelukkig weer weggeëbd. Nu zijn het de jongens van de Antillen en noem maar op.”

In de catalogus bij ‘Ode aan de vrouw’ staat: „De eerste en enige uit het Caribische gebied, als wel geheel Zuid-Amerika die in de top van de kunstwereld...”

„Nooit is er een Argentijn of een Braziliaan aan de top gekomen. Ik ben de enige.”

Botero?

„Ach Botero, al zijn beelden zijn hetzelfde: dikke mensen.”

U schildert altijd vrouwen.

„Nou, nou! Wel steeds op verschillende manieren! Bij hem zie je altijd dezelfde dikke vrouw. Ik denk niet dat hij gepresteerd heeft wat ik gepresteerd heb. Er is nog geen kunstenaar in de wereld geweest die zo veelzijdig is geweest als ik. Niet eens Picasso.”

Ode aan de Vrouw – Erwin de Vries, 60 jaar beeldhouwer-schilder. T/m 29/11 in Kunsthal Rotterdam. Inl: kunsthal.nl. In uitgebreide vorm van 21/12 t/m 28/2 in Surinaams Museum, Paramaribo. Inl: surinaamsmuseum.net,erwindevries.com