Dominees inspireerden tot verzet tegen de staat

De politieke boodschappen verpakt in bijbelteksten van de dominees van de Nikolaikirche in Leipzig droegen bij aan de val van de Muur. De revolutie begon met vredesgebed. Over het historische belang van de kerk in de DDR.

In de Nikolaikirche in Leipzig herinnert weinig aan twintig jaar geleden. Aan de dagen dat hier met massademonstraties tegen het DDR-bewind geschiedenis werd geschreven, oktober en november 1989.

In een zijbeuk van de kerk hangt een rond en amateuristisch affiche met daarop de tekst „Zwaarden tot ploegscharen. Micha 4,3. Vredesgebed in St. Nikolai. Iedere maandag 17 uur.” Het plakkaat stamt uit die woelige tijd toen de kerk ’s maandags stampvol zat met mensen die luisterden naar het vredesgebed, een politiek beladen eredienst. En die later, ook op maandagen, met tienduizenden tegelijk voor het godshuis bijeenkwamen: revolutionairen die dat van zichzelf nog niet wisten.

Zij maakten Leipzig wekenlang tot het centrum van de wereld. In deze stad kreeg de vreedzame revolutie tegen het communistische bewind momentum, een proces waarin de Oost-Duitse kerken en hun geestelijk leiders een belangrijke rol hebben gespeeld.

Christian Führer (66), bekend geworden als de dominee in spijkerjack, schrijft in een herderlijke brief in de Nikolaikirche: „Dat God zijn beschermende hand over ons allen – christenen en niet-christenen, regimetegenstanders en Stasimensen […] – heeft gehouden en deze vreedzame revolutie liet slagen na zo veel wreed Duits geweld in de twintigste eeuw, dat kan ik alleen maar als genade zien: genade voor deze kerk, voor deze stad en voor heel Duitsland.”

Führer was twintig jaar geleden predikant van de Nikolaikirche. Hij groeide uit tot een van de helden van de Duitse omwenteling; een tv-ster met grijs stekeltjeshaar die geniet van zijn rol als zelfbenoemd woordvoerder van de dominees die destijds de dictatuur trotseerden met eigenzinnige oproepen tot vredesgebed en maandagdemonstraties. Hij was erbij, stond in de eerste linie en bezorgde zijn kerk en Leipzig wereldfaam. Maar Christian Führer was niet de enige en ook niet de eerste.

Over het historische belang van de kerk en de dominees in Leipzig tijdens de revolutie van ’89 is in de stad een vurig debat losgebarsten. In de lokale pers en weekblad Der Spiegel werd onlangs de vraag opgeworpen wie de werkelijke helden van de omwenteling zijn: de geestelijk leiders of de activisten en demonstranten van destijds. Een eensluidend antwoord is er niet. Wel staat vast dat de mensen die nu de zege van toen opeisen, niet de enigen zijn die zich kranig hebben geweerd.

Dominee Christoph Wonneberger (65), bijvoorbeeld, is een beetje in de vergetelheid geraakt. Hij is de man die, eerder dan zijn collega Christian Führer, revolutionair pionierswerk in de DDR verrichtte. Eind 1980 al begon Wonneberger in Dresden met zijn ‘initiatief sociale vredesdienst’, een actie die snel door de kerkelijke vredesbeweging in de hele DDR werd overgenomen en die als voorloper geldt van de massalere vredesgebeden en maandagbetogingen.

Wonneberger claimt dit vroege succes niet. Dat ligt niet in zijn aard. Hij is een bescheiden man die in zijn woning in Leipzig met verbazing constateert hoeveel mensen twintig jaar na dato een rol opeisen die hun eigenlijk niet toekomt.

Van Wonneberger wordt wel gezegd dat hij de enige echte initiatiefnemer van de maandagdemonstraties in Leipzig is. Maar dat wijst hij resoluut af. „Dat kan niemand zeggen. De tijd was er rijp voor, en de mensen begrepen dat. Wij als dominees hebben de gebeurtenissen in Leipzig gefaciliteerd. Meer niet. De kracht kwam van de massa.”

In zijn tijd als predikant in Dresden en Leipzig werd Wonneberger nauwlettend in de gaten gehouden door het Ministerium für Staatssicherheit – de beruchte geheime dienst in de DDR, ook wel Stasi genoemd. „Over mij bestaat een heel dik Stasidossier, getiteld ‘Provocateur’. Die aanduiding vervult me nog steeds met trots.” Zijn leven lang is hij een rebel geweest; een man die naar eigen zeggen altijd de waarheid heeft gediend.

Wonneberger deinsde er in de jaren ’80 niet voor terug om grote risico’s te nemen. Hij had toegang tot de westerse pers, hetgeen hem een zekere bescherming bood. In zijn eigen kerk in Leipzig, deLukaskirche in de wijk Volkmarsdorf, bouwde hij een complete bibliotheek op met West-Duitse lectuur over democratie en mensenrechten. Het bracht hem niet alleen in conflict met de staat, maar ook met de leiding van de kerk.

Vanuit Leipzig-Volkmarsdorf werd oppositie bedreven met bijbelteksten en politiek getinte vlugschriften. Waaronder het beroemd geworden pamflet Wir sind ein Volk, een oproep om de protesten geweldloos te laten verlopen. Het pamflet werd op 8 en 9 oktober 1989 in 25.000 exemplaren door Wonneberger en een handvol medestanders gedrukt en in Leipzig verspreid.

Mensen die hem in zijn beste tijd hebben meegemaakt, zeggen dat Wonneberger een dominee was „met de gave van het woord én de daad”. Zelf zegt hij: „De waarheid moet geprovoceerd worden. Pas dan ontstaat er iets. Pas dan kun je feiten scheppen.”

Zijn provocaties als dominee waren politiek van aard. De vredesgebeden in zijn eigen gemeente, en later in de Nikolaikirche, waren niets anders dan politieke boodschappen verpakt in bijbelteksten. „Ik ben een politieke jongen, maar ik ben geen politicus”, zegt hij lachend. Hij beaamt dat hij het geloof heeft gepolitiseerd. „Als het nodig is, moet dat. Zonder politieke teksten zouden de vredesgebeden geen effect hebben gehad en zouden ze niet zijn voortgezet in de maandagse protestbijeenkomsten.”

In de vorming van Wonneberger tot actievoerend dominee zijn twee gebeurtenissen belangrijk geweest. „Zonder mijn ervaringen van Praag ’68 en de stakingen van Solidarnosc in Polen in 1980 had ik mijn eigen acties niet kunnen voeren. Beide gebeurtenissen maakten grote indruk op me. Ze toonden aan waartoe een volk in staat is. De Praagse Lente van Dubcek mislukte nog door de gewelddadige interventie van Moskou, maar Walesa en Solidarnosc boekten successen. Dat gaf me hoop. Ik dacht: dat kan bij ons ook.”

In Polen, waar hij begin jaren ’80 vele malen was, leerde Wonneberger hoe je „maatschappelijke ongehoorzaamheid moet omzetten in een aanval op de staat zonder geweld te gebruiken”. Hij richtte zich bij terugkomst in eigen land vooral op de jeugd en zette zich in „voor dienstweigeraars en onaangepaste jongeren”.

Zij waren aanvankelijk Wonnebergers klankbord. „De kerk was in die dagen een zekere vrijhaven. Het bewind gaf ons een beetje ruimte. De dictatuur was niet altijd onmenselijk. Ik zag het als mijn grote taak om voortdurend de grenzen te verkennen. Om beetje bij beetje gebied te veroveren op wat de staat toestond. Revoluties gaan soms stap voor stap.”

Het lot – sommigen zeggen de tragiek – van Christoph Wonneberger is dat hij het hoogtepunt van de vreedzame revolutie in de DDR niet bewust heeft kunnen meemaken. Op 30 oktober 1989 werd hij thuis in Leipzig door een hersenbloeding getroffen. Op die historische negende november, de dag dat de Muur viel, lag hij in het ziekenhuis. „De televisie stond aan, maar er drong niets tot me door.”

Zijn revalidatie heeft lang geduurd. Pas na een antroposofische zangtherapie heeft hij weer leren spreken. Hij moet af en toe naar woorden zoeken, zijn vermogen tot spreken is blijven aangetast. Hij zegt dat hij nu, jaren later, tot het inzicht is gekomen dat zijn hersenbloeding geen vloek is geweest maar een zegen.

„Het heeft kennelijk moeten gebeuren. Het heeft zin gehad. Mijn ziekte heeft me bespaard dat ik een held ben geworden. Ik ben misschien wat in vergetelheid geraakt, maar dat bevalt me prima. Ik ben godzijdank een vrij man en word niet door mijn agenda geleefd. Ik hoef niet naar gelegenheden om lezingen te geven die ik zelf niet begrijp. Dat is geen drama, en tragisch is het evenmin.”

In de Nikolaikirche in Leipzig komt hij nauwelijks meer. Hij komt überhaupt niet meer zo veel in de kerk. Christoph Wonneberger fietst liever. Wat niet betekent dat hij zijn geloof is kwijtgeraakt. Hij is nog steeds zoekende. „Wie ben ik, hoe is mijn verhouding tot mijn medemens? Die vragen stel ik me m’n hele leven al. Dan kom je vanzelf bij God uit. Zonder God was het allemaal niet gegaan.”

Sport in de DDR: pagina 11