De bereidheid te sterven

Laten we maar zeggen dat het een van de minder geloofwaardige uitspraken van Barack Obama was. Het was juli, hij had premier Balkenende op bezoek in het Witte Huis en een aantal journalisten mocht even binnenkomen in de Oval Office. De Amerikaanse president maakte van de gelegenheid gebruik om de Nederlandse missie in Afghanistan te prijzen. De nieuwe aanpak van de Verenigde Staten, zei Obama, is „echt overgenomen van sommige strategieën van Nederland”.

Het ging, voor alle duidelijkheid, om wat vooral in Nederland bekend staat als de ‘Dutch approach’, de benadering waarbij militair optreden plaatsvindt in samenhang met ontwikkelingswerk en intensieve contacten met het lokale bestuur. De aanpak wordt ook wel de ‘3D-approach’ genoemd, van Defense, Development and Diplomacy.

Met alleen vechten en hard optreden, is de gedachte, bereik je niets. De inzet van een oorlog als in Afghanistan is de hearts and minds van de burgers winnen. Hun moet veiligheid geboden worden, het lokale bestuur moet worden versterkt. We verslaan de vijand niet door hem te doden, maar door hem irrelevant te maken.

Over het optreden van de Nederlandse militairen in Afghanistan valt veel goeds te zeggen. Het belangrijkste is misschien wel dat ze getoond hebben te kunnen meekomen met de grote jongens, zonder hun eigen manier van werken op te geven. En het merendeel van de tijd dat Nederlandse troepen nu actief zijn in Uruzgan, is het er bovendien relatief rustig geweest en is de leefbaarheid toegenomen.

Maar de 3D-benadering een Nederlandse uitvinding noemen? In Canada, waar het al jaren een vertrouwd concept is, weten ze wel beter. En bij de NAVO en in het Witte Huis ook.

Wél staat vast dat Nederland deze doctrine heeft omarmd. En dat is begrijpelijk voor een land dat zo lang ambivalent tegenover oorlogsvoering heeft gestaan. Ook als er stevig gevochten moet worden – en in Uruzgan hebben de Nederlanders bewezen dat ze dat kunnen – dan is de rauwe strijd altijd nog ingebed in een veelheid van vreedzame ontwikkelingsprojecten. Het lijkt een geruststellende combinatie.

Maar voor de mannen en vrouwen in uniform is deze aanpak, indien consequent uitgevoerd, juist gevaarlijk. Alleen wordt dat vaak niet beseft.

Is de bescherming van de burgerbevolking écht de inzet van de oorlog? Komt de veiligheid van de burgers écht op de eerste plaats? Dan moet de bescherming van de eigen troepen daaraan ondergeschikt zijn, betoogde de Britse deskundige Mary Kaldor, auteur van het boek New & Old Wars, deze zomer op een conferentie over de toekomst van de NAVO. En dat is nogal wat.

Het is één ding om te zeggen dat onze militairen proberen de hearts and minds van de bevolking te winnen. Dat klinkt mooi en er zijn bovendien goede argumenten voor. Maar zijn we er nog steeds zo enthousiast over wanneer het betekent dat ze hun eigen veiligheid daarvoor op de tweede plaats moeten stellen?

Als je mensen echt wilt beschermen, vindt Kaldor, dan moet je je leven voor hen in de waagschaal stellen, dat doen politiemensen, brandweermannen en mensenrechtenactivisten ook. De afgelopen jaren hebben de Nederlandse militairen bewezen dat ook zij hele serieuze risico’s nemen om hun werk goed te kunnen doen – in Uruzgan zijn niet voor niets al meer dan twintig van hen omgekomen. Maar is het genoeg om de steun van de Afghanen te winnen? Steken zij, en de andere NAVO-troepen, hun nek ver genoeg uit?

De bevelhebber van alle buitenlandse troepen in Afghanistan, de Amerikaanse generaal Stanley McChrystal, vindt van niet. De militairen worden veel te veel in beslaggenomen door hun eigen veiligheid, schrijft hij in een rapport dat dit najaar uitlekte. En daardoor „nemen ze zowel fysiek als psychologisch afstand van de mensen die ze willen beschermen”. En dat werkt contraproductief.

De militairen moeten zich opstellen als „gasten van de Afghaanse bevolking en hun regering”, schrijft de generaal. Het klinkt mooi. Maar je hoeft niet door Afghaanse ogen te kijken om de vele tienduizenden zwaar bewapende militairen die zich te voet of in pantserwagens onder de bevolking begeven eerder aan te zien voor bezetters dan gasten.

We zullen nooit succes hebben, schrijft McChrystal stellig, als onze militairen niet „op z’n minst even veel risico lopen als de bevolking”. Dus: stel je kwetsbaar op, helm af, scherfvest uit en stap uit de pantserwagen. Het gebeurt al hier en daar, maar wat hem betreft wordt het vaste prik.

Als we de gevaren delen, gelooft de generaal, zal de bevolking onze manschappen uiteindelijk beschermen. Op korte termijn betekent dit dat „het militaire personeel aan groter risico wordt blootgesteld, op de lange duur zal het levens sparen”.

Gelooft Nederland er genoeg in om deze theorie, ónze theorie, consequent in de praktijk te brengen – en daarmee de risico’s voor de militairen, ónze militairen, verder te vergroten? Als je de Dutch approach, of hoe je het ook noemen willen, serieus neemt zou het wel moeten. En niet alleen in Afghanistan, maar ook in andere conflictgebieden waar een opstand moet worden bestreden. Alleen: of het werkt is onzeker.