Zo is het nu eenmaal

Het 22-ste IDFA, ‘s wereld grootste filmfestival voor documentaires, vindt van 19 tot 29 november plaats in Amsterdam. Ter ere van zijn tachtigste verjaardag staat op IDFA dit jaar de Amerikaanse documentairemaker Frederick Wiseman in het zonnetje. Hij neemt voor mensen rustig de tijd: „Zo worden de mensen goede bekenden.”

Huilen kan goed bij de films van Frederick Wiseman. Bij Near Death bijvoorbeeld, om de terminaal zieke vrouw die zo verschrikkelijk klaar is voor de dood, maar het haar man niet wil aandoen en daarom doorgaat met die ellendige levensverlengende behandeling. Meermalen bij Titicut Follies, om de gezingzegde klacht van die zwaar gestoorde crimineel, die al zo lang naakt in zijn cel zit dat hij vergeten lijkt te zijn hoe het voelt om kleren te dragen. Om die gekoeioneerde rekruut – met bril, zonder kin, dus mikpunt – in Basic Training. En hoe triest werd ik van de stroom hopeloze armoelijers in Welfare.

Lachen bij de films van Wiseman gaat ook goed. Om klanten van het warenhuis Neiman-Marcus (The Store), om een ziekelijk telefonerende zakelijk leider (Ballet), om die ene pompeuze Amerikaanse patriot (Missile).

Ik keek naar Wisemans films, ik zag altijd klein menselijk handelen met grote gevolgen. Ik gniffelde om een zee van absurditeiten, ik bewonderde de leeuwenmoed van de enkeling die ‘gewoon’ zijn of haar werk doet. Vaak huiverde ik en dacht: het zal toch niet? Maar jawel, het zou wel.

Mensen doen de vreemdste dingen in de overtuiging dat die volstrekt normaal zijn, en dat valt Wiseman op. Mensen doen hun best. Er staan mensen machteloos. Er wordt door mensen in een ideaal geloofd, met de ogen stijf dicht en de hersens op stationair. Wiseman laat het allemaal ‘alleen maar’ zien, is de eerste indruk die zijn films achterlaten. Maar zo achteloos kan dat niet zijn, want hij grijpt aan terwijl hij je tegelijk op afstand houdt. Daar zit een plan achter.

Mensen doen maf en er vallen slachtoffers, suggereert Wiseman. Dat punt heeft hij telkens al snel gemaakt, maar dan gaat zijn film door, als het moet urenlang. Totdat de glimlach is gestrand op een brok in de keel. Of totdat de brok is opgelost in een glimlach. Het lachen vergaat je, het huilen ook. En dan heb je iets meegemaakt.

Frederick Wiseman (geboren op Nieuwjaarsdag 1930) regisseerde zijn eerste documentaire in 1967, in een tbs-achtige strafinrichting die hij als jurist had leren kennen. Titicut Follies is de vrolijke titel die een wanhopige lading dekt. Hij verhaalt van de situatie van heel of half gestoorde misdadigers, en van die van hun cipiers en psychiaters, in een instituut waar niemand zich meer afvraagt waarom de regels zijn zoals ze zijn.

Al direct in die eerste film begon Wiseman een volstrekt eigen stijl van filmen te ontwikkelen. Hij observeert, hij grijpt op geen enkele manier in. Er wordt niet geïnterviewd, er wordt geen commentaar geleverd, ook niet met suggestieve, schilderachtige of poëtische beelden. Niemand wordt in een aparte situatie gebracht, een stijlmiddel dat veel documentairefilmers hanteren om een personage te ‘ontmaskeren’. Uitzonderlijke incidenten pakt Wiseman net zo aan als de sleur. Een beeld van een gang staat gelijk aan een beeld van een gevangene die over zijn pedofilie wordt ondervraagd door een psychiater met een Oost-Europees accent.

Er is in Titicut Follies één geval van suggestieve montage (het vervlechten van de wrede behandeling van een gedetineerde met de tederheid waarmee een lijk wordt afgelegd). Dat was meteen de laatste keer, het zou niet meer gebeuren in de vele films die erop volgden.

Wiseman neemt de tijd, hij is dagen, weken aanwezig. Die manier van doen brengt met zich mee dat de orde van de dag zich niets meer aantrekt van de camera of de filmploeg – men is aan ze gewend, ze horen bij het meubilair. Er wordt geen schijn meer opgehouden.

Ook voor zijn publiek neemt hij de tijd. Zijn films nemen regelmatig uren in beslag. Die lengte – twee, drie, vier uur – betekent dat ook het publiek de schijn niet meer kan ophouden, dat moet zich overgeven. Het raakt vertrouwd met het onderwerp, en de mensen worden goede bekenden. Dankzij die lengte dring je door in een wereld waar je anders op de schil was gestoten.

Een film van Wiseman zien is een avontuur. Je kijkt, je bent gefascineerd en soms verveel je je een beetje. Maar ineens schiet je overeind, want de werkelijkheid heeft altijd iets onverwachts in petto en Wiseman is daarbij. Op die manier brengt hij je waar volgens hem de kern van de zaak ligt. Daar aangekomen besef je dat er geen antwoord is op de vragen die de film stelde. En je realiseert je dat dat niet erg is. Want Wiseman maakte je wel degelijk wijzer.

Wisemans genie ligt in de montagekamer. Uit vele uren materiaal kiest hij voor de lijnen van een verhaal dat de werkelijkheid toelicht zoals hij die heeft ondervonden. Zijn montage berust op details, die hij niet meer loslaat en telkens anders toelicht. In Titicut Follies geeft hij via die details het uitgewoonde gedrag van de cipiers weer. Hij belicht telkens opnieuw hun routineuze aanpak, en daarom snap je, of je wilt of niet, hoe ze, peuk in de mondhoek, een broodmagere blote gek (de onherstelbare gekken geven ze geen kleren) een slang in zijn slokdarm kunnen duwen om hem gedwongen te voeden.

Op Titicut Follies volgden tientallen films, waarin Wiseman bij voorkeur instituten portretteerde. Hij verfilmde een rechtbank, een middelbare school, een politiebureau en een vleesfabriek. Hij was te gast bij legeronderdelen en bij de sociale dienst. In ziekenhuizen bij de eerste hulp en op een intensive care, maar ook bij minder beladen instellingen als balletgezelschappen, een dierentuin en een warenhuis. Vergelijk je zijn eerste films met het latere werk, dan zie je hoe hij zich steeds nadrukkelijker van een oordeel ging onthouden. Intimidatie is een vast gegeven, maar het wordt steeds minder spectaculair vastgelegd als aanvankelijk in High School (1968) of Basic Training (1971).

Zijn onderwerp zijn structuren, normen en regels waarover zowel insiders als de buitenwereld denkt: zo is het nu eenmaal; niet leuk, maar niks aan te doen. Wiseman is er stilletjes bij en zet vraagtekens. Niet door aan te klagen. Voor een moraal moet je bij hem niet aankomen. Wel voor het surrealisme van het dagelijks leven en wat dat ons te zeggen heeft.

Het zou een vergissing zijn om Wiseman te beschouwen als een eenling, een vreemde eend, een uitzondering tussen de documentairefilmers. Hoe eigensoortig ook, hij staat niet alleen. Het gebeurt vaker dat tegelijkertijd en toch los van elkaar kunstenaars tot eenzelfde aanpak komen. Blijkbaar vraagt de tijd erom, het denken is er rijp voor. Op zijn minst twee van Wisemans leeftijd- en landgenoten, belandden op hetzelfde pad. Ze waren geen collega’s uit de documentaire traditie, deze geestverwanten horen de speelfilm toe: John Cassavetes (1929-1989) en Robert Altman (1925-2006).

Cassavetes en Altman maakten speelfilms die eruitzien of ze liepen te filmen in het dagelijks leven. Kijk naar Cassavetes’ Husbands of zijn A Woman Under the Influence. Bezie Altmans Nashville of A Wedding. Ze interesseren zich voor hun personages. Ze zijn acteursregisseurs, de schoonheid van hun beelden is een feit. Maar het komt op de tweede plaats. Net als Wiseman zijn ook zij gebrand op het surrealisme van de herkenbare werkelijkheid. Net als hij werken ze caleidoscopisch, ze benaderen hun verhalen van alle kanten. Dusdoende komen ze hun personages nabij, zo niet te na. Moralisme kennen ze niet, oordelen doen ze niet. Hooguit betreuren ze, maar dat doen ze verholen. Altman en Cassavetes concentreerden zich op kleine, schijnbaar alledaagse gebeurtenissen en aanraakbare figuren. Die brachten ze tot leven door hun acteurs te regisseren alsof ze betrapt c.q. geobserveerd werden. Zowel Altman als Cassavetes hechtten groot belang aan de taal van de details. Samenvatten kwam niet in hun kraam te pas. Uitweiden deden ze met verve.

Dat alles geldt ook voor de documentaires van Frederick Wiseman, ook al zijn zij overduidelijk brieven uit de tastbare realiteit.

Uiteindelijk gaan al Wisemans films over autoriteitsverhoudingen, met als pendant de eigen verantwoordelijkheid van iedereen. Cynisch wordt hij nooit. Wel staat hij verbaasd. Niet omdat mensen kwaad willen of niet deugen, maar omdat stilstand veilig voor hen is en elke verandering bedreigend.

Hoe dat zit, zowel voor de machtigen als de machtelozen, zoekt Wiseman in de lichaamstaal. Met een voorkeur voor een nondescripte, weinig afleidende, liefst kale omgeving richt hij zich vaak op gezichten. Van luisterende mensen. Van reagerende of juist helemaal niet reagerende mensen. Vaak zet hij in op pratende gezichten. Ze redeneren, ze doceren, ze pleiten. Ze discussiëren, ze zoeken ruzie. Ze ratelen, of ze vallen stil.

‘Talking heads’, dus.

Ik weet het, daar wordt in de documentairewereld nogal eens neerbuigend over gedaan. Wat merkwaardig is, want weinig is zo onthullend als taal en taalgebruik, spraak en mimiek. Hoe dan ook, zulk dedain wordt afgeserveerd door Wisemans films. Juist in dat gepraat zit het drama, en dat drama is klein en mens-erend. Want praten maakt gedachten zichtbaar, en praten en denken zijn unieke menselijke kenmerken.

De films van Frederick Wiseman zijn tijdmachines. Je stapt een wereld binnen die niet meer bestaat. Zo zagen mensen er toen dus uit, zo gedroegen ze zich. Zo gingen mensen met elkaar om. Zo lagen de normen en waarden in die dagen. Zo hield men de schijn op en die schijn lag toen volslagen anders dan vandaag de dag. Dát was gewoon, en dat andere, wat wij nu normaal vinden, nog helemaal niet.

En nu? Lukt het nu nog om films te maken zoals Wiseman het heeft gedaan?

Wat zou ik graag zijn visie zien op de gesloten gemeenschappen van Wall Street, van het IJslandse parlement worstelend met Icesave, van Guantánamo Bay in zijn nadagen. Dat zal niet gaan. Wiseman heeft een reputatie. Hij is niet overal welkom. De vertoning van verschillende van zijn films werd gehinderd en geweerd op aandrang van hun onderwerpen en dat bleef niet onopgemerkt. Bovendien zijn mensen sowieso bekend geraakt met wat er gebeurt als je je laat filmen. Ze gedragen zich al snel of ze meewerkten aan reality-tv, ze doen kunstmatig naturel of opgepompt extreem.

Maar Wiseman werkt door. En het lukt hem nog steeds.

Het Frederick Wiseman Retrospectief bestaat uit Titicut Follies (1967), High School (1968), Hospital (1969), Basic Training (1971), Welfare (1975), Model (1980), Missile (1987), Near Death (1989), Belfast, Maine (1999). Ook wordt zijn nieuwste film, La Danse – Le Ballet de l’Opera de Paris (2009), over het beroemde balletgezelschap in Parijs, vertoond in het programmaonderdeel Reflecting Images: Masters.