Wreed dierenrijk

Het IDFA blikt met een aantal Sovjet-documentaires terug op de tijd van ‘Glasnost’ en ‘Perestrojka’, nu twintig jaar geleden.

Ruim twintig jaar geleden nog maar – toch is het de vraag of er veel mensen zijn die nog precies weten wat het begrip ‘glasnost’ inhoudt. Dat is wel van belang bij het bekijken van ‘Perestroika – 20 years ago’, een van de onderdelen van het IDFA dit jaar. Daarin wordt een aantal Sovjet-documentaires die in 1988, op het eerste IDFA, de show stalen, nog eens vertoond.

Als je ze nu terugziet, is de opwinding van destijds nog maar moeilijk navoelbaar. Je moet ze dus in de tijd zien. Nu zijn Russische documentaires niet ongewoon op het IDFA, net zoals het ook niet ongewoon is dat achter je op de tramhalte mensen Russisch staan te praten. In 1988 was het een noch het ander gewoon, en was alles wat uit de Sovjet-Unie kwam met een exotische glans omgeven, omdat dit grote, gesloten land een periode van radicale verandering leek door te maken.

Perestrojka, letterlijk ‘verbouwing’, was een poging om het bestaande, uit de jaren dertig daterende systeem van de Sovjet-Unie, berustend op de centraal geleide planeconomie en de alleenheerschappij van de Communistische Partij, nieuw leven in te blazen. Partijleider Michail Gorbatsjov en anderen binnen de topelite van de Sovjet-Unie, dachten dat het mogelijk zou zijn om de bevolking weer geloof te geven in het systeem.

En dat was ook hard nodig, want niemand werkte meer en de Sovjet-Unie was sinds de jaren zeventig op allerlei gebieden van het Westen de slag aan het verliezen: in technologische ontwikkeling, in militaire macht, in welzijnsniveau van de bevolking.

‘Perestrojka’ was een van bovenaf, door de partij, opgelegde hervormingscampagne waarvan de contouren niet altijd even helder waren, ook al omdat binnen de partijtop meningsverschillen bestonden over de koers. Veranderingen in het systeem, zeker wanneer die een zekere mate van democratisering met zich meebrachten, brachten immers ook het risico van onrust en machtsverlies met zich mee – zorgen die later, met het uiteenvallen van de Sovjet-Unie en de afschaffing van de ‘socialistische economie’ ook ruimschoots bewaarheid zijn.

‘Glasnost’ – letterlijk ‘helderheid’ – was in de officiële doctrine een onderdeel van ‘perestrojka’. Het uitgangspunt was wel duidelijk: meer eerlijkheid in de beschrijving in legale films, boeken, kranten, debatten, etc. van de geschiedenis van de Sovjet-Unie en de actuele toestand in het land. Ook hier was een zekere achterstand in te lopen. Met uitzondering van een korte periode rond 1960, was enige openbare behandeling van de politieke, economische, sociale en morele toestand van het land eigenlijk steeds verboden geweest. Sinds de jaren zestig tot in 1986 was het noemen van de namen van de partijleiders Stalin of Chroesjtsjov eigenlijk verboden. Laat staan dat het mogelijk was om te refereren aan de zwaarste steen op de Sovjet-maag, de terreur die in verschillende golven tussen 1934 tot 1953 geheerst had.

Als de bevolking weer het gevoel krijgt dat zij serieus wordt toegesproken, en ook zelf haar zegje kan doen, dan zal haar betrokkenheid bij de door de partijlijn uitgezette koers weer toenemen, was de gedachte achter ‘glasnost’. Maar ook hier was onzekerheid troef – wat mocht nu wel en wat mocht nu niet? Bijzonder goed blijkt dat uit een van de films uit het IDFA-programma, Bolsje svjeta (‘Meer licht’), van Marina Babak uit 1987. In deze, kunstzinnig overigens volstrekt oninteressante, montage van archiefbeelden, die de indruk wekt in opdracht van de partij te zijn vervaardigd, komen zaken aan de orde die een jaar tevoren nog volstrekt ondenkbaar zouden zijn geweest.

Beelden van Leo Trotski bijvoorbeeld, de bolsjewiek van het eerste uur die later door Stalin aan de kant zou worden gezet, voor vijand des volks nummer één verklaard en in ballingschap vermoord. Ook wordt duidelijk een lans gebroken voor de Nieuwe Economische Politiek (NEP) van de jaren twintig, die nog een zekere mate van marktwerking in de economie toestond – een duidelijk teken dat de partijleiding van Gorbatsjov in die richting plannen had. Maar voor cineast Babak was in 1987 de Stalinistische terreur duidelijk nog een brug te ver. Dat zou pas een jaartje later mogen, en dan ook meteen radicaal, met vermelding van cijfers over de slachtoffers van 20 miljoen en meer. De terreur wordt in Bolsje svjeta alleen maar terloops aangeduid, bijvoorbeeld door de nogal komisch aandoende opmerking dat de Sovjet-Unie in de lente van 1954, dus een jaar na de dood van Stalin, zo vrolijk en opgelucht was.

Drie films uit het IDFA-programma hebben meer artistieke pretentie. Heel curieus is Ozero, een film uit Sovjet-Armenië van Roeben Sevorkjants uit 1988. De film is een vormexperiment, geheel gespeend van het romantiserende optimisme dat tot voor kort de norm was voor Sovjet-documentaires – en er komt zelfs een bloot meisje in voor. Skoro ljeto (‘Gauw lente’) van Pavel Kogan uit 1987 is een erg leuke en met veel liefde gedraaide film over werk en leven in een snoepjesfabriek in Leningrad. Alle problemen van de Sovjet-Unie komen spelenderwijs aan de orde: het verouderde machinepark, de bouwvallige fabriek, de gebrekkige hygiëne en de volstrekte demoralisering van de arbeiders.

Het Perestroika-programma van het IDFA bevat één echt meesterwerk: Afrikanskaja Ochota (‘Afrikaanse jacht’) van Igor Alimpiev uit 1987. De film is een schoolvoorbeeld van hoe kunstenaars in een dictatuur, op een moment dat de censor denkt de teugels een beetje te kunnen laten vieren, daar gebruik van maken om het gat groter te maken dan de censor eigenlijk had bedoeld.

Afrikaanse jacht gaat over het leven van de dichter en ontdekkingsreiziger Nikolaj Goemiljov (1886-1921), die is geëxecuteerd op verdenking van anticommunistische ideeën en tot aan de glasnostjaren in Rusland ook niet gepubliceerd mocht worden. Op de soundtrack zijn teksten over Goemiljovs boek over de jacht in Afrika (Afrikaans dagboek) te horen, ondersteund door wrede beelden van die jacht en van het dierenrijk in het algemeen – wie hier de slang een konijntje heeft zien verorberen zal dat niet gauw vergeten.

De Russische toeschouwer anno 1987 – ik geloof overigens niet dat de film in de Sovjet-Unie wijd is verspreid – legde een verband waar de Amsterdamse toeschouwer anno 2009 vermoedelijk niet zo gauw op komt: dat met de wreedheid van de terreur in de Sovjet-Unie. Anno 1987 was dat in de Sovjet-Unie wel degelijk een brisante materie, want Goemiljov werd al onder Lenin, dus ruim vóór de stalinistische terreur vermoord, en het zou nog wel enkele jaren duren voordat onder het vaandel van glasnost het Sovjet-bewind in zijn algemeenheid als onmenselijk kon worden afgeschilderd. Desondanks is Afrikaanse jacht meer dan een opportunistisch pamflet, maar een beklemmend filmessay, dat ook interessant blijft als je de achtergrond er niet van zou kennen.

Afrikaanse jacht is de enige film uit het Perestroika-programma die overeind blijft, na twintig jaar. Censuur en dictatuur brengen, juist door de noodzaak tot schipperen, omzeilen, associatief vertellen wat niet openlijk gezegd kan worden, soms bijzondere en intrigerende meesterwerken voort. Dat kennen we ook uit veel andere landen, maar niet meer uit Rusland. Het gaat daar niet goed met de vrijheid van meningsuiting, en zo mogelijk nog slechter met de economische basis voor het maken van documentaires. Maar de maatschappelijke en creatieve verstikking waarvan de Perestroika-films de uiting zijn – al zijn ze dan het begin van de bevrijding – behoort gelukkig tot het verleden. Twintig jaar kan heel lang zijn.