Verhalen van oplichter-Wessi's en mekker-Ossi's

Margriet Brandsma en Marjolijn Uitzinger: Na de Muur. Oog in oog met het nieuwe Duitsland. Balans, 254 blz. € 17,95

Jeroen Kuiper: Het andere Duitsland. Nieuw Amsterdam, 208 blz. € 17,95

Helmut Kohl beloofde het op 1 juli 1990: de Oost-Duitse deelstaten zouden snel weer in ‘blühende Landschaften’ veranderen. Maar na de val van de Muur zijn de Oost-Duitsers te weinig uitgedaagd bij het vormgeven van hun land, aldus Herbert Staffa, mecenas en promotor van Leipzig. ‘Men heeft de mensen te veel beloofd. [...] Vervolgens zijn de Oost-Duitsers uit het raam gaan kijken om te zien of de bloeiende landschappen er al aankwamen.’

Margriet Brandsma en Marjolijn Uitzinger spraken Staffa voor hun boek Na de Muur; Oog in oog met het nieuwe Duitsland. Ze spraken ook met de West-Duitse journalist Michael Jürgs, die zich weinig subtiel uitlaat over de verschillen tussen Ossi’s en Wessi’s. Jürgs is vol bewondering over de Wende, maar constateert ook dat het de Oost-Duitsers aan zelfbewustzijn en daadkracht ontbrak om ‘hun varkensstal’ daarna ‘zelf uit te mesten.’

Dat is wat weinig empathisch, maar waar: bouw maar eens zelf een land op, nadat decennia lang alles voor je is bedacht en besloten. Zelf verantwoordelijkheid nemen, dat was men gedurende veertig jaar communistische heilstaat verleerd. Roerend zijn de voorbeelden van hoe Oost-Duitsers door West-Duitsers na de Wende werden opgelicht: wisten zij veel dat je geen levensverzekering hoeft te hebben, of dat je kunt kiezen voor een goedkopere?

Dat in het Westen betere managers waren opgeleid, die vervolgens de Oost- Duitse bedrijven kwamen leiden, heeft logischerwijs veel kwaad bloed gezet. Op hun beurt hebben veel West-Duitsers wel een beetje genoeg van het geklaag van de ‘Meckerossis’; ze hebben tenslotte al 150 miljard euro in de oosterburen geïnvesteerd.

Brandsma en Uitzinger praatten met Duitse denkers en ondernemers, burgers en prominenten, over Oost- en West- Duitsland, toen en nu. Hun boek is een kennismaking op instapniveau; vluchtig scheren de auteurs langs de geschiedenis, niet elke reportage is even verrassend. De anekdotes van meer en minder bekende Nederlanders en hun mening over Duitsland voegen weinig toe. Maar Na de Muur is vlot geschreven en de auteurs schetsen een gevarieerd beeld van het herenigde Duitsland: realistisch, en tegelijkertijd hoopvol.

Een somberder beeld doemt op in Het andere Duitsland, van Jeroen Kuiper. Hij richt de blik specifiek op het oosten, en beschrijft bijvoorbeeld de verhoudingen tussen Oost-Duitsers en Polen. Dat is interessant en nodig: in een vergelijking met West-Europa steekt de voormalige DDR slecht af, maar misschien is een vergelijking met Tsjechië, Hongarije en Polen ook wel reëler. Helaas weet Kuiper die gedachte niet vast te houden: het boek verzandt toch in een litanie van leegloop, vergrijzing, uitzichtloosheid.

Dat beeld klopt, ongetwijfeld, maar toch: hoe zit het dan met de leegloop van het Poolse platteland? Niet voor niets vestigen steeds meer Poolse landbouwbedrijven zich vlak over de Duitse grens – een ontwikkeling overigens die Kuiper zelf beschrijft. Tot zo’n vergelijking komt de auteur niet. In plaats daarvan verliest hij zich in beschrijvingen van randverschijnselen als de Oost-Duitse Freikörperkultur en bijeenkomsten van Trabant-fans en indianenverenigingen.

De reportages uit Het andere Duitsland blijven de lezer maar nauwelijks bij. Of Kuiper nu niet de juiste gesprekspartners heeft gevonden, ze geen interessante uitspraken wist te ontlokken, of de verkeerde citaten heeft opgeschreven – feit is dat je over de meeste geïnterviewden heenleest.

Uitzonderingen zijn Katrin Behr en Erika Thesenvitz: de eerste werd door de Stasi bij haar moeder weggehaald, de tweede moest haar zoon ter adoptie afstaan. Hun verhalen zijn hartverscheurend. Het was mooi geweest als Kuiper zulke protagonisten van het huidige Oost-Duitsland had gevonden.