Val van Muur ontging Nederland even

Terwijl de Muur viel, ging politiek en ambtelijk Nederland vooral zijn eigen gang. Er konden „geen voorschotten” op de ontwikkelingen worden genomen.

Op woensdagavond 8 november 1989 verstuurde de Nederlandse ambassadeur in Oost-Berlijn, Egbert Jacobs, om 20.17 uur codebericht 177 naar het ministerie van Buitenlandse Zaken in Den Haag. Hij begon zijn vier pagina’s tellende „confidentiële” rapportage met een voorbehoud. „Voor alle waarnemers hier is het rapporteren over de gang van zaken in de DDR minstens net zo moeilijk als het springen op een voorbijschietende TGV.”

Een etmaal later bevond dezelfde Jacobs zich tussen een uitgelaten menigte Oost-Duitsers in de Bornholmer Straße, op weg naar het eerste gat in de die avond volledig onverwachts geopende Muur. Het onvoorstelbare was gebeurd. In zijn hoofd gonsden nog de woorden van de Russische ambassadeur in Oost-Berlijn, die Jacobs begin dat jaar op gebiedende toon had gezegd: „Wilt u uw autoriteiten laten weten dat Moskou de DDR nooit zal opgeven.”

Er werd die avond geschiedenis geschreven, maar in de beleidscentra in Den Haag heerste op dat moment rust. Hans van den Broek, enkele dagen daarvoor voor de derde maal beëdigd als minister van Buitenlandse Zaken, weet zich twintig jaar later niet meer te herinneren dan dat hij „waarschijnlijk” op het departement zat en televisie keek. Ben Bot, in die tijd secretaris-generaal van het ministerie, weet zeker dat die avond geen actie is ondernomen om mensen bij elkaar te krijgen. Peter van Walsum, die de functie van directeur-generaal politieke zaken op het departement bekleedde, zat met zijn collega’s van de toen nog uit twaalf lidstaten bestaande Europese Gemeenschap „in een goed restaurant” in Parijs te dineren. Het eten werd niet voor het nieuws uit Berlijn onderbroken. Contact met Den Haag heeft hij die avond niet gehad.

Dan het leger. Vanaf het begin van de Koude Oorlog was de defensie-inspanning gebaseerd op een te verwachten aanval uit het communistische Oosten. Dirk Barth, op het ministerie van Defensie de hoogste ambtenaar voor politieke zaken, nam de ontwikkelingen in Berlijn „volstrekt gefascineerd” tot zich, thuis vanaf de bank voor de televisie. Van activiteiten van anderen binnen de krijgsmacht op die avond is hem niets bekend.

De eerste reactie van minister Van den Broek op de gebeurtenissen kwam pas de volgende middag, op een daartoe belegde persconferentie waar hij zei dat de Nederlandse regering „verheugd” was over de ontwikkelingen in Oost-Duitsland die zich in een „adembenemend tempo” voltrokken. De uren daarvoor waren de ministers van het derde kabinet-Lubbers, voor het eerst na hun beëdiging eerder die week, voor de reguliere vrijdagse kabinetsvergadering bijeen geweest. Het nieuws uit Berlijn was nog amper te bevatten en leende zich niet voor diepgaande beschouwingen, laat staan grootse conclusies. De toen kersverse minister van Onderwijs Jo Ritzen (PvdA) herinnert zich „een gevoel van triomf en blijdschap” dat toen in de ministerraad heerste. Minister Van den Broek beperkte zich op zijn persconferentie tot de mededeling dat niet reeds „voorschotten” op de ontwikkelingen moesten worden genomen.

Ook overig politiek Den Haag hield zich opmerkelijk in. Het verschijnsel spoeddebat bestond nog niet. Bovendien zat de Tweede Kamer nog in de naweeën van de kabinetsformatie die 62 dagen had geduurd. Men wachtte op de regeringsverklaring. CDA en PvdA zaten na zeven jaar weer in een coalitie. In zijn regeringsverklaring repte minister-president Lubbers op 27 november met geen woord over de toekomst van Duitsland. In het erop volgende debat viel voor het merendeel van de Tweede Kamer de val van de Muur in het niet bij de geprognosticeerde koopkrachtontwikkelingen en aanverwante zaken. Een uitzondering was D66-leider Hans van Mierlo, die zijn bijdrage aan het debat met de ontwikkelingen in Oost Europa begon omdat die ervoor zorgden dat „werkelijk alles opnieuw tegen het licht moet worden gehouden”.

Direct na de val van de Muur was de lijn van het kabinet dat in het beleid ten aanzien van Duitsland „meer dan ooit” moest worden vastgehouden aan samenwerking binnen de Europese Gemeenschap, zoals de Unie toen nog heette. Op dat vlak ging het een maand later in Straatsburg mis tijdens een diner van de regeringsleiders van de twaalf samenwerkende Europese landen. Hier werd de basis gelegd voor een diepe controverse tussen de Duitse bondskanselier Helmut Kohl en de Nederlandse premier Lubbers. In zijn drie jaar geleden verschenen memoires beschrijft de Belgische ex-premier Wilfried Martens hoe er tijdens dat diner bij Kohl „een snaar knapte” nadat Lubbers de vraag had opgeworpen of het op basis van het verleden „opportuun was dat Duitsland opnieuw één wordt”. Een woedende Kohl zou Lubbers bij het verlaten van het diner hebben toegebeten: „Ik zal u eens de Duitse geschiedenis uitleggen.”

Kohl is de opmerking van Lubbers nooit vergeten, schrijft Martens en het voorval is de Nederlandse premier „zuur opgebroken”. Want daarna blokkeerde Kohl Lubbers’ ambitie om voorzitter van de Europese commissie te worden.