Touwtrekken om gedeelde Jan Steen

De gemeente Den Haag wil haar deel van het verenigde werk De huwelijksnacht van Tobias en Sara verkopen aan de erven Goudstikker, maar een bepaling van Abraham Bredius belet dat.

Den haag, 6 nov. - De gemeente Den Haag heeft een „verbijsterend gebrek aan inzet” getoond, in haar poging het schilderij De huwelijksnacht van Tobias en Sara van Jan Steen voor het Museum Bredius te behouden. Dat zei advocaat Gert-Jan van den Bergh gisteren in de Haagse rechtbank.

Van den Bergh treedt op namens de Stichting tot bescherming en behoud van Nederlands Openbaar Kunstbezit, die als doel heeft het doek van Jan Steen in Nederland te houden.

De huwelijksnacht van Tobias en Sara heeft lang uit twee delen bestaan, die in 1996 na een restauratie zijn herenigd. Het ene deel is in 2006 door de Restitutiecommissie toegewezen aan de ervan Goudstikker; het andere deel is door de gemeente Den Haag verworven uit de nalatenschap van verzamelaar Abraham Bredius. Die schonk de gemeente zijn kunstcollectie onder de voorwaarde dat deze voor altijd in zijn geheel in het Bredius Museum te zien zou blijven.

Vorig jaar kwamen de gemeente Den Haag en Goudstikker-erfgename Von Saher overeen dat de gemeente haar deel van het schilderij aan Von Saher verkoopt voor 622.000 euro. Maar om die verkoop mogelijk te maken moet de bepaling van Bredius ten aanzien van zijn nalatenschap gedeeltelijk worden ontbonden. De gemeente heeft hiertoe een verzoek ingediend, maar de familie van Bredius en de Stichting tot bescherming en behoud van Nederlands Openbaar Kunstbezit verzetten zich ertegen. Gisteren hoorde de rechter de verschillende partijen.

Advocaat Wemmeke Wisman van de gemeente zei dat een andere oplossing dan deze verkoop niet mogelijk was. Had de gemeente het doek in zijn geheel zelf willen kopen, dan was daarvoor 1,8 miljoen euro nodig geweest. Een rondgang langs fondsen leverde niet de indruk op dat financiering rond zou komen, aldus Wisman. Wisman kon de rechter niet vertellen wat de gemeente precies heeft ondernomen om financiering te vinden. In elk geval was geen officieel verzoek ingediend bij de Vereniging Rembrandt, hoewel advocaat Van den Bergh wist te melden dat die vereniging in dat geval „meer dan welwillend” naar dat verzoek zou hebben gekeken, zoals hem was verzekerd door de voorzitter. Op de vraag van de rechter waarom de gemeente geen eigen middelen had vrijgemaakt om het doek te behouden, antwoordde Wisman dat de gemeente „andere prioriteiten” heeft.

Advocaat Paul Loeb van de familie Bredius wees erop dat indien de rechter de bepaling gedeeltelijk ontbindt, kunstverzamelaars in de toekomst wellicht hun collectie niet meer zomaar aan de staat zullen schenken. „En Bredius heeft dit nu juist gedaan omdat hij de gemeente betrouwbaar achtte.” Het voorstel van de gemeente om van de inkomsten na de verkoop een nieuwe Jan Steen voor het museum te kopen, veegde hij van tafel. „Dat nieuw aangekochte werk valt niet onder de bepaling van Bredius, en kan dan dus weer door de gemeente verkocht worden wanneer zij dat maar nodig acht.”

De rechter doet op 17 december uitspraak.

Beelden van de restauratie op museumbredius.nl