'Schrijven is een dienst aan God'

Een roman over fijnzinnige geesten, over vertelmanieren, over taal en spraakverwarring – Uwe Tellkamps ‘De toren’ biedt bijna 1000 pagina’s over het leven in de voormalige DDR.

Toen de Muur viel was hij eenentwintig. Uwe Tellkamp, de Duitse schrijver, zegt: „Ik zat in die tijd in het leger. In een klein plaatsje in de Saksische provincie. We wisten: zo gaat het niet lang meer verder. Maar dit verraste ons volkomen.’’

Tellkamp (1968) komt uit de DDR. Een Sovjet-Russische satrapie op Duitse bodem, een stalinistische monstruositeit met schijnbare eeuwigheidswaarde. Maar ook zijn Heimat tegen wil en dank. Der Turm, duizend bladzijden dik, conserveert een schat aan herinneringen. Zo werd het boek een museum voor vergeten dingen: van de krakerige Eterna-grammofoonplaten tot en met het desinfecteermiddel Wofasept. Maar met Ostalgie, het verlangen naar de voormalige DDR, heeft dat alles niets te maken. Daarvoor is het verval te penetrant beschreven. Aan het eind van de roman valt de stroom uit, de bevolking lijdt honger en ratten grijpen hun kans – de socialistische utopie is in een nachtmerrie omgeslagen. Wat de personages nog niet weten: dat hun staat al gauw niet meer zal bestaan.

De auteur, nu woonachtig in de West- Duitse stad Freiburg, logeert een paar dagen in het plaatsje Straelen, vlakbij de Nederlandse grens. Daar, in het Europäisches Übersetzer-Kollegium, is een bijzonder project aan de gang. Vertalers uit tien verschillende landen zitten er met Tellkamp om de tafel. Op elke bladzij van Der Turm struikelen zij wel over een moeilijk woord. „Wat zijn Zitronenstäbe?’’, wil de Bulgaarse vertaler weten. „Dat is een beeld uit mijn jeugd’’, legt Tellkamp geduldig uit. „Het gaat om citroengeel invallend licht, om stralen zo dik als staven. Mijn oma zei altijd, ’s ochtends, als het licht nog fris was: nu vallen er citroenstaven door het raam naar binnen.’’

Dan loopt het gezelschap vast op een passage over het Oost-Duitse leger. Niet alleen de afkortingen zorgen voor problemen, ook het soldatenjargon doet de wenkbrauwen fronsen. Een vertaalster: „Wat is Rotlichtbestrahlung?’’ De schrijver: „Dat is de humoristische uitdrukking voor een uur lang communistisch onderwijs. We werden met rode ideologie bestraald, begrijpen jullie dat?’’

Zo gaat het de hele dag door, met laptops op de tafel en handboeken eromheen. In de middagpauze zegt Uwe Tellkamp: „Deze ontmoeting met mijn vertalers is mooi, maar ook bevreemdend. Elk woord uit Der Turm wordt in twijfel getrokken. Het gevaar daarbij is dat je eenvoudiger, toegankelijker wilt gaan schrijven, maar daar moet ik me tegen verzetten, ik moet mezelf blijven.’’

Hij zucht even en vervolgt: „De meeste vertaalproblemen doen zich voor bij culturele verschillen. Een van mijn personages bijvoorbeeld loopt zomaar het huis van een ander binnen. Geen enkele Duitse lezer heeft zich daarover verbaasd. Maar voor een Zweed is het onvoorstelbaar dat iemand zoiets doet. Dus moet hij zo’n scène aan de Zweedse cultuur aanpassen zonder de Oost-Duitse geweld aan te doen.’’ Dan heeft de Spaanse vertaler het nog het gemakkelijkst. „Zij herkent veel in mijn roman, ze wordt door het boek herinnerd aan het bewind van generaal Franco. Dictaturen gebruiken dezelfde taal om burgers te indoctrineren.’’

Het personage Christian Hoffmann, een even gevoelige als lastige scholier, treedt in Der Turm op als Tellkamps alter ego. Uwes vader was arts en Christians pa hoort ook bij de medische stand. De chirurg Richard Hoffmann is een verwoed anticommunist – met duistere Stasi-geheimen. Maar over zijn eigen vader laat Tellkamp zich mild uit. „Om zijn werk te kunnen doen, moest hij zich aanpassen. Toch stond hij kritisch tegenover het regime. Wij hadden thuis veel discussies. Over hoe het verder moest met de DDR. Over stukken in kranten. Bij ons kon je niet om de politiek heen.’’

Net als Christian moest Uwe al jong naar een internaat. „Ik was voor het eerst alleen’’, herinnert Tellkamp zich. „En ik leerde er het zwijgen toe te doen. Je kon er niemand vertrouwen. Je wist maar nooit of medeleerlingen je niet aangaven.’’ Haatte hij de DDR? „Het stoorde me dat je niet vrij kon reizen. Dat je niet kon zeggen wat je dacht. De benepenheid… Er gold maar één mening, en die werd je opgedrongen. Dus ja, vroeger haatte ik de DDR. Nu denk ik: het was niet alleen een staat, maar ook een land. En dat land werd óók door mensen bewoond van wie ik hield.’’

Hij had het gevoel dat hij zijn boek voor degenen van wie hij houdt móest schrijven. „Dat ben je jouw mensen verschuldigd, hield ik mezelf steeds voor. Ook in de zware tijd na de geboorte van mijn zoon, in 2006. ’s Nachts sliep hij in op mijn buik. Dan moest ik hem voorlezen, een tekst uit Der Turm, dat stelde hem gerust.’’

Der Turm gaat over de hogere burgerij van Dresden, die er in de anti-burgerlijke DDR eigenlijk niet mocht zijn. Het is, in het boek, een menagerie van fijnzinnige geesten die droomt van het flonkerende ‘Florence aan de Elbe’ van ver voor de oorlog. ‘Dresden / in den Musennestern / wohnt die süsse Krankheit gestern’ luidt een steeds terugkerend versje. Het zijn elitaire lieden, jazeker, en ze wonen hoog boven de stad, in de Torenwijk, in villa’s die Haus Karavelle, Tausendaugenhaus en Haus Abendstern heten. Hoewel Tellkamp de problematiek van hun positie, die constante spagaat tussen conformisme en verzet, zeker niet verdoezelt, beschrijft hij hen met sympathie. Want hij gelooft, net als zij, in persoonlijke ontwikkeling. Het schier onvertaalbare woord Bildung is voor hem niet alleen een voorrecht maar ook de verplichting tot een leven volgens de klassieke humanistische idealen. „Zonder Bildung’’, zegt hij, „rest er alleen maar moord en doodslag. Zonder Bildung geen burgerlijke gemeenschap.’’

Het beeld van de toren domineert de roman van A tot Z. „Het is vooral een ivoren toren. Een verschansing tegen het drillen door de staat. Tegelijk staat het hermetische van een toren voor de geslotenheid van de DDR.’’ Zijn roman vergelijkt hij het liefst met een ander bouwwerk, met een kathedraal. „Voor het schrijven van een epos moet je oneindig veel materiaal hebben. Je moet een leger van arbeiders overzien die allemaal stenen aandragen. Het bouwen van een kathedraal is een religieuze bezigheid, precies als het schrijven. Schrijven is een dienst aan God.’’

Tellkamp vindt het onterecht dat men hem een behoudende schrijfstijl verwijt. ,,Het boek barst van de experimenten. Elk hoofdstuk is in een andere stijl geschreven. Short story’s, novellen, dialoogflarden, fabels, lyriek, alles zit erin. ’t Is ook een roman over taal en over spraakverwarring. Die toren is ook een toren van Babel die aan hoogmoed te gronde ging.’’ Hoogmoed van wie? „Van degenen die de Nieuwe Mens wilden scheppen. De aanmatiging een Nieuwe Maatschappij te willen opbouwen, ten koste van alles, die moest worden bestraft…’’

Nog steeds ruikt hij de geur van bruinkool in de eens chique Dresdense straten, die penetrante, proletarische lucht, voor hem „de geur van een moeilijke jeugd’’. „Het was oktober 1989’’, vertelt Uwe Tellkamp. „De demonstraties op straat begonnen en ik zat in dienst. Pantsercommandant was ik, onder dwang, anders zou ik geen studieplaats krijgen. En mijn eenheid moest tegen die demonstranten optreden. Dat heb ik geweigerd. Zo belandde ik achter de tralies. In de laatste weken van de DDR.’’

Christian in Der Turm moet dwangarbeid in een chemische fabriek verrichten omdat hij wordt betrapt bij het lezen van een door een nazi geschreven boek. Een avonturenboek, over een onderzeeër. Ook Uwe verslond avonturenboeken: Jack Londen, Karl May, Jules Verne. Maar evengoed las hij Thomas Mann en Robert Musil, Dostojevski, Tolstoj en Balzac: „Omdat daarin hele levenslopen plastisch zijn beschreven. Omdat dat werelden zijn waarin je kunt verdwijnen.’’

Behalve het literaire epos was ook de opera belangrijk voor Der Turm: „Opera en epos hebben Leitmotieven, personages die in hun ontwikkeling worden getoond, een rijkdom aan figuren en milieus.’’ Wat het moeilijkste was bij het schrijven? „Mijn plannen los te laten. Vol te houden ondanks weerstanden. Nauwkeurig te zijn. Wantrouwig te zijn. Je steeds weer afvragen: zijn dit geen clichés? Komt het wel overeen met de waarheid? En is het wel zinvol dat het met de waarheid overeenkomt? Álles was moeilijk, eigenlijk. Maar de taal, die was er steeds. De taalstroom, de muziek. Die vond ik steeds terug.’’

Nu verzamelt hij materiaal voor een vervolg op Der Turm. „Dat boek zal beginnen op 9 november 1989, de dag van de val van de Muur. Over hoe de toren instort, zal het gaan, en hoe de mensen zich van elkaar verwijderen. Die toren bood bescherming. De mensen hadden tijd voor discussies, met veel wijn erbij. Maar na de Wende hadden ze geen tijd meer om na te denken, ze moesten nieuw werk vinden. De staatsondersteuning is weggevallen, je moet voor jezelf zorgen. Dat verwoest de hechte band van toen. Er zijn nu honderden politieke en intermenselijke concepten, consensus is er niet meer. ’’

Is hij na Der Turm klaar met de DDR? Tellkamp reageert verbaasd. „O nee. Ten eerste: de mensen van toen leven nog. Hun leven wordt door die dictatuur bepaald. Je kunt niet verzwijgen waar zij vandaan komen. Ten tweede: álle dictaturen interesseren me. Er zijn er nog zoveel, op zoveel plekken ter wereld. Zelfs het Westen ontwikkelt dictatoriale trekjes. Steeds meer persoonsgegevens worden geregistreerd. En wat te denken van de telecratie, de hersenspoeling door de televisie? Ook dit is geen paradijs. Dus is er voor een schrijver nog genoeg te doen.’’

Uwe Tellkamp: De Toren. Vertaald door Goverdien Hauth-Grubben. Arbeiderspers, 960 blz. € 34,95.