Majoor Hasan zag de zin van oorlog niet

Op Amerika’s grootste legerplaats vermoordde een majoor gisteren dertien mensen en verwondde hij er dertig. Hij was moslim en wilde niet naar Irak.

Bij dit supermarktje van Seven Eleven, vlakbij de legerplaats Fort Hood in Texas, kwam Nidal Malik Hasan (39) elke ochtend even langs, tussen vijf en half zeven. Een sobere man, niet onvriendelijk, altijd alleen.

De majoor die gisteren een bloedbad aanrichtte op Amerika’s grootste kazerne, schonk dan zelf zijn koffie in. Een beker van de kleinste maat, prijs: 99 dollarcent.

Bij het afrekenen hield hij het niet bij dankjewel en tot ziens. Hij had meestal zin in een praatje, wat eigenlijk onhandig was. „Het is hier ’s morgens nogal druk”, zegt Justin, die tijdens zijn nachtdiensten tot 6 uur ’s ochtends de kassa beheert.

Door dat praten was er redelijk wat over de man bekend die gisteren dertien mensen op Fort Hood vermoordde, en dertig mensen verwondde; bijna allemaal collega’s van hem die op het punt stonden naar Irak te vertrekken. „Een verschrikkelijke geweldsuitbars- ting”, aldus president Obama gisteren.

Nidal Malik Hasan, die gewond kon worden aangehouden, maakte er geen geheim dat hij grote weerzin had tegen zijn aanstaande vertrek naar Irak. Hij zag de zin van die oorlog niet in. En hij refereerde vaak aan zijn geloof. Hasan is een in de VS geboren zoon van immigranten van Palestijnse komaf, die voor hun overlijden in het conservatieve zuiden van Virgina een paar bedrijven hadden. Zij waren moslim, hun zoon is dat ook.

„Zo bijzonder is dat hier niet, hoor”, vertelt Justin als hij ’s nachts naar buiten loopt om een sigaret op te steken. „Er zijn zoveel mensen in het leger moslim.”

Maar de 24-jarige kassamedewerker, zelf de zoon van een militair die carrière maakte in Fort Hood, heeft al door dat die nuance de komende dagen wel eens verloren kan gaan. Daarom wil hij zijn achternaam ook niet geven.

Hij voelt zich zichtbaar ongemakkelijk over het feit dat zijn baas zich eerder op de dag liet verleiden een opname van zijn veiligheidscamera van die ochtend, waarop Hasan in een wit, traditioneel Arabisch gewaad is te zien, aan CNN over te dragen. „Ik ben bang”, zegt Justin, „dat we teruggaan naar het moslim bashen van na 9/11. Oh man, this sucks.”

De parkeerplaats voor de lokale Seven Eleven, aan een brede weg van legerwinkels en fastfoodrestaurants, fungeert ’s nachts als alternatief dorpsplein voor bewoners die na de schok de slaap niet kunnen vatten.

Het winkeltje is 24 uur per dag open. En de meesten hebben verhalen over sirenes die ze rond twee uur in de middag hoorden, aanrijdende ambulances, paniek die nu eenmaal ontstaat als te veel hulpverleners tegelijk arriveren. Mensen belden familie en vrienden op de kazerne – Killeen is zo’n Amerikaanse stad die bijna helemaal op de krijgsmacht draait. Maar omdat iedereen belde kreeg niemand contact.

Justin deed er vijf uur over om zijn vijf vrienden te pakken te krijgen die op de legerplaats werken. Zenuwslopend. „Ik heb anderhalf pakje op vanmiddag.”

Soldaten zijn vooral ook aangedaan omdat het bloedbad door een hooggeplaatste militair – Hasan is majoor – is aangericht. Andrew Hall, die vannacht belast is met de bewaking van Fort Hood, vertelt dat de rang van Hasan hem een gevoel van onveiligheid geeft dat hij nooit eerder ervoer. „Een majoor, daar kijken wij tegenop, begrijp je?”

Gaandeweg de nacht neemt de nieuwsgierigheid naar de dader verder toe. Nidal Malik Hasan was pas sinds de zomer in Fort Hood. Hij is een afgestudeerde arts die tegen de zin van zijn ouders – ondernemers in Virginia – beroepsmilitair werd. Voor zijn overplaatsing naar Fort Hood werkte hij jarenlang in het Walter Reed ziekenhuis in de omgeving van Washington, waar gewonde veteranen uit de oorlogen in Irak en Afghanistan revalideren.

Volgens onbevestigde berichten begeleidde Hasan daar veteranen met posttraumatisch stress syndroom (PTSS). Een aandoening – slapeloosheid, concentratieverlies, plotseling opkomende agressie – die de laatste jaren uitgroeide tot een epidemie onder Amerikaanse oorlogsveteranen. Volgens recente onderzoeken leidt circa 30 procent van de veteranen aan PTSS. En er zijn eerder gevallen geweest waarbij therapeuten die jarenlang PTSS-patienten begeleidden, ook zelf aan de aandoening gingen lijden.

Fort Hood, met circa 50.000 manschappen een legerplaats als een middelgrote stad, heeft vele jaren een bijzonder slechte reputatie gehad voor zijn aanpak van PTSS. Veteranen noemen de legerplaats ook wel Fort Hell. Een PTSS-patient vertelde vorig jaar aan deze krant dat zijn aandoening vijf jaar onbehandeld bleef omdat de leiding van Fort Hood hem liet weten dat hij oneervol ontslag zou krijgen wanneer hij professionele hulp zou zoeken. Sinds dit jaar heeft de kazerneleiding zijn aanpak drastisch gewijzigd.

In een van de beruchtste voorbeelden vond de Irak-veteraan Joseph Dwyer in 2007 de dood. Hij werd in 2003 een Amerikaanse held nadat een fotograaf vastlegde hoe hij in Irak een kind redde. Dwyer kreeg PTSS, en moest twee jaar later door gewapende agenten uit zijn huis worden gehaald omdat hij in de waan leefde dat Iraakse militairen hem aanvielen. Weer twee jaar later stierf hij aan een overdosis.

Meer artikelen over PTSS bij militairen: nrc.nl/buitenland